Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting SHDH/werkneemster
Rechtbank Noord-Holland, 29 februari 2012
ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0589

Stichting SHDH/werkneemster

Afwijzing ontbindingsverzoek na verdwijning horloge van bewoonster zorgcentrum. Diefstal door medewerkster huishouding niet bewezen. Omstandigheden die ten grondslag liggen aan vertrouwensbreuk voldoende weerlegd

Werkneemster is in dienst van Stichting SHDH (een zorgcentrum) als medewerkster huishouding. In een vuilniszak die zij heeft afgevoerd, is het verdwenen horloge van een bewoonster van het zorgcentrum gevonden. Werkneemster wordt verdacht van diefstal en is geschorst. Thans verzoekt Stichting SHDH ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden dan wel verandering in omstandigheden. Gesteld wordt dat werkneemster het vermoeden dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal niet heeft kunnen weerleggen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat er geen bewijs is waaruit blijkt dat werkneemster zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal, wordt het ontbindingsverzoek op de primaire grondslag afgewezen. Ook het beroep op de subsidiaire grondslag faalt. Werkneemster heeft de omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de vertrouwensbreuk voldoende ontzenuwd. Stichting SDHD heeft ter zitting moeten terugkomen op haar stelling dat werkneemster op de dag van de verdwijning van het horloge tweemaal op de kamer van de betreffende bewoonster is geweest. Voorts had het onderzoek in de vuilniszak van werkneemster in haar aanwezigheid moeten gebeuren. Het feit dat na de schorsing van werkneemster geen verdwijningen meer zijn geconstateerd, zegt onvoldoende. Immers, het is binnen Stichting SHDH algemeen bekend dat er sprake was van diefstal van een horloge en dat daar onderzoek naar werd verricht. Het is dus geenszins uit te sluiten dat anderen zich thans koest houden en dat om die reden geen verdwijningen meer zijn geconstateerd. Tot slot vormt het feit dat werkneemster in strijd met de voorschriften een trui van een bewoonster heeft aangenomen onvoldoende grond voor ontbinding. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.