Rechtspraak
werkgeefster/werknemer
Werkgeefster heeft op 7 december 2011 voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Enkele uren voor de zitting is het verzoek ingetrokken in verband met een inmiddels aanhangig gemaakte faillissementsaanvraag tegen werkgeefster. Werknemer is het niet eens met het intrekken van het verzoek en meent dat door de enkele intrekking van het verzoek aan de procedure nog niet een einde is gekomen. In het ingediende verweerschrift is niet alleen verzocht om het verzoek af te wijzen, maar is ook de uitdrukking ‘Kosten rechtens’ gebezigd, welke uitdrukking redelijkerwijs als een verzoek tot veroordeling van werkgeefster in de proceskosten moet worden opgevat.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het uitgesproken faillissement is niet van invloed op de onderhavige procedure, nu het verzoek primair de (voorwaardelijke) ontbinding van een arbeidsovereenkomst betreft. Het standpunt van werknemer omtrent de proceskosten wordt gevolgd. Terecht heeft werknemer zich beroepen op artikel 289 Rv en als voorwaarde aan de beëindiging gesteld dat hij een proceskostenvergoeding dient te ontvangen, nu zijn gemachtigde (substantiële) werkzaamheden heeft verricht. Volgt toewijzing van de vordering.