Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag, 27 maart 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1781
werknemer/Cleaning Service Hensen B.V. en Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.
Werknemer is in maart 2006 in dienst getreden van CSH. Op 1 november 2006 heeft hij zich om 18.30 uur met een hoofdwond gemeld bij de EHBO-post. Hij stelt dat hij tijdens het werk bij EON op 1 november 2006 van een trap is gevallen, doordat hij onwel is geraakt als gevolg van oververmoeidheid. Deze oververmoeidheid vloeide volgens werknemer voort uit het feit dat hij moest werken onder slechte arbeidsomstandigheden, die onder meer daaruit bestonden dat hij veel te veel uren moest werken zonder voldoende rustpauzes. Werknemer stelt dat hij als gevolg van deze val arbeidsongeschikt is geraakt, en houdt CSH daarvoor als werkgeefster aansprakelijk. CSH en haar aansprakelijkheidsverzekeraar NN hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen, omdat hij werknemer niet geslaagd heeft geacht in het bewijs dat hij op 1 november 2006 bij EON van een trap is gevallen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat, aangezien het hier gaat om een ongeval tijdens diensttijd op de werkplek, deze vordering beoordeeld moet worden op de voet van artikel 7:658 BW. Indien de vordering op deze grondslag faalt, biedt artikel 7:611 BW in het onderhavige geval geen alternatieve of aanvullende grondslag waarop de vordering desondanks kan worden toegewezen. Immers, wanneer de werkgever niet is tekortgeschoten in de nakoming van de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen en hij ook overigens niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, is er geen plaats voor een op ‘gebruik en billijkheid’ dan wel op goed werkgeverschap in het algemeen rustende verplichting om aan de werknemer die als gevolg van een hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden overkomen ongeval schade lijdt, een schadevergoeding of tegemoetkoming te betalen.
Naar het oordeel van het hof is werknemer niet geslaagd in het bewijs dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, meer in het bijzonder dat hij van de trap is gevallen bij EON. De verpleegster bij de EHBO-post heeft daartoe onder meer verklaard dat de wond op het hoofd niet getraceerd kon worden, zodat – voor zover al sprake was van een hoofdwond – dit wel meeviel. Voor zover al onduidelijkheid bestaat over de toedracht, is het voorts aan werknemer te bewijzen dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van de vermeende valpartij. Het beroep van werknemer op de omkeringsregel wordt verworpen. Voor toepassing van de omkeringsregel is slechts plaats als sprake is van de schending van een norm die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar, welk gevaar zich vervolgens heeft gerealiseerd. De normen als vervat in de arbowetgeving en de Arbeidstijdenwet, waarnaar werknemer verwijst, strekken naar het oordeel van het hof niet ter bescherming tegen een specifiek gevaar, maar veeleer ter algemene bescherming van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van werknemers. De omkeringsregel is hier derhalve niet van toepassing. Werknemer wordt in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren.
Met betrekking tot de zorgplicht van de werkgever overweegt het hof dat vast is komen te staan dat werknemer in de maanden voorafgaand aan het vermeende ongeval gemiddeld ruim 230 uur werkte. Dat levert een overtreding van de Arbeidstijdenwet op en daarmee een schending van de zorgplicht. Werknemer en CSH verschillen echter van mening over de precieze omvang van de extra uren. Volgens werknemer lag het gemiddelde aanmerkelijk hoger. Omdat het antwoord op deze vraag van belang is voor zovel de causaliteitsvraag als de zorgplichtschending worden beide partijen in de gelegenheid gesteld nader bewijs te leveren.