Naar boven ↑

Rechtspraak

appellant/Gemeente Rotterdam
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 10 april 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1270

appellant/Gemeente Rotterdam

Het weigeren een orthodoxe moslim aan te stellen als Klantmanager omdat deze kandidaat weigert vrouwen een hand te schudden, is een objectief gerechtvaardigd onderscheid op grond van artikel 5 jo. 2 AWGB. Het weigeren handen te schudden is een vorm van geloofsuiting ex artikel 9 EVRM

Appellant is een orthodoxe moslim. Hij kleedt zich op islamitisch-orthodoxe wijze, te weten: een lang gewaad en een hoofddeksel, en schudt vanwege zijn geloofsovertuiging (huwbare) vrouwen niet de hand. In 2005 is appellant benoemd als lid van de Cliëntenraad van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente (hierna: SoZaWe). Appellant heeft op 17 september 2005 gesolliciteerd naar de functie van Contactueel Medewerker Dienstverlening (hierna: Klantmanager) bij SoZaWe. In het kader van deze sollicitatie vond op 23 februari 2006 een gesprek plaats tussen appellant en, namens SoZaWe, de heer X Teamchef Werving en Inzet, en mevrouw Y, hoofd P&O. Tijdens dit gesprek weigerde appellant aan mevrouw Y een hand te geven. Hoofd P&O heeft tijdens het gesprek aangegeven dat als appellant haar wel de hand zou hebben geschud, de gemeente hem de functie van Klantmanager zou hebben aangeboden. De CGB (Oordeel 2006-202) is, voor zover in beroep van belang, van oordeel dat de gemeente bij het afwijzen van appellant voor de functie van Klantmanager niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst vanwege het niet schudden van handen (artikel 5 lid 1 aanhef en sub d Algemene wet gelijke behandeling). De rechtbank heeft de vorderingen van appellant afgewezen (AR 2008-510). Te beoordelen is in hoger beroep of de gemeente (1) indirect onderscheid heeft gemaakt in de zin van artikel 1 aanhef en sub c AWGB door te weigeren appellant voor de functie van Klantmanager (a) aan te stellen (artikel 5 lid 1 aanhef en sub d AWGB) en/of (b) in die weigering te volharden, omdat hij niet bereid is vrouwen de hand te schudden, en in het bevestigende geval, (2) of dit door de gemeente gemaakte (indirecte) onderscheid een rechtvaardiging vindt in een legitiem doel, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (artikel 2 lid 1 AWGB).

Het hof oordeelt als volgt. Het hof verwerpt de stelling van de gemeente dat de in het geding zijnde weigering handen te schudden geen uiting is van een geloofsovertuiging (‘expression of a belief’) als door de wet en artikel 9 lid 1 EVRM beschermd. Appellant is door zijn kledingwijze herkenbaar als orthodoxe moslim. Het schudden van handen is een in Nederland gebruikelijke, algemeen geaccepteerde begroetingsvorm. Het weigeren om handen te schudden is daardoor in ons land een zeldzame en opvallende gedraging, die in de regel wordt toegeschreven aan een geloofsovertuiging. In dat licht is de weigering van appellant om handen te schudden naar objectieve maatstaven kenbaar als een directe uiting van zijn geloofsovertuiging. Een dergelijke uiting is beschermd door de AWGB.

Naar het oordeel van het hof is niet alleen de afwijzing van appellant door de gemeente bij zijn sollicitatie naar de functie van Klantmanager, maar ook het volharden daarin aan te merken als het maken van onderscheid bij ‘het aanstellen tot ambtenaar’ in de zin van artikel 5 lid 1 aanhef en sub d AWGB. Die bepaling ziet op het maken van onderscheid bij het werven en selecteren van ambtenaren, resulterend in een aanstelling of een afwijzing. De gemeente heeft in reactie op het nadere aanbod van appellant om voortaan zowel mannen als vrouwen niet de hand te schudden, volhard in haar afwijzing. Duidelijk was toen dat nogmaals solliciteren geen zin had. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een legitiem doel van de gemeente (het voorkomen van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de ontvangst van klanten) en van een middel dat geschikt is om dat doel te bereiken. Het middel betreft meer concreet de eis dat de Klantmanager bereid is om (ook) vrouwen de hand te schudden. De beoordeling spitst zich toe op de vraag of genoemd middel noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. Appellant heeft gesteld dat dit middel niet aan de noodzakelijkheidstoets voldoet, nu hij heeft aangeboden om voortaan zowel mannen als vrouwen niet de hand te schudden, maar op een gelijke, alternatieve en respectvolle wijze te begroeten. Zoals door het hof gezegd is het schudden van handen een in Nederland gebruikelijke, algemeen geaccepteerde begroetingsvorm. Met dit handen schudden is er een gemeenschappelijke omgangsvorm. Het hof is van oordeel dat in een pluriforme en multiculturele samenleving als de Nederlandse het belang van het hanteren, althans niet afwijzen, van een dergelijke gemeenschappelijke omgangsvorm bij de bejegening van klanten van SoZaWe zeer zwaarwegend is. Het hof is weliswaar met appellant van oordeel dat een andere wijze van begroeten eveneens respectvol zal kunnen zijn, maar acht het zonder meer aannemelijk dat dit niet door alle klanten van SoZaWe op die wijze zal worden ervaren. Daarbij is van belang dat de gemeente als overheidsorgaan neutraliteit dient uit te stralen naar alle burgers, ongeacht geslacht, waarbij de Klantmanager als vertegenwoordiger van de gemeente fungeert en het van wezenlijk belang is dat hij de klanten tegemoet treedt op een wijze die door hen niet als respectloos en kwetsend wordt ervaren. Ten aanzien van het laatste is temeer van belang dat de klanten van SoZaWe van haar afhankelijk zijn en zich niet aan contacten met de gemeente kunnen en mogen onttrekken. Het weigeren om de uitgestoken hand van een vrouwelijke klant te schudden is temeer onaanvaardbaar, nu die weigering als een ontkenning van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, en dus als extra kwetsend kan worden ervaren. Die ervaring zal worden versterkt als de achtergrond van deze weigering gelegen is in de religieuze overtuiging dat het handen schudden van vrouwen ‘onrein’ is. Het ook niet schudden van handen van mannelijke klanten neemt dit bezwaar geenszins weg. Het voorgaande brengt met zich dat sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond.