Rechtspraak
werkneemster/Koninklijke TNT Post B.V.
Werkneemster is in 2006 in dienst getreden van TNT Post als postbezorger op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een arbeidsomvang van 12 uur per week. Op 1 oktober 2008 is haar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden voor 18 uur per week. Werkneemster heeft deze overeenkomst onder protest aanvaard, stellende dat haar werkzaamheden veel meer dan de voorgestelde 18 uur bedragen. Werkneemster heeft vervolgens op 1 juli 2009 aan TNT bericht dat volgens haar de werkelijke arbeidsomvang 23 uur per week dient te bedragen. Zij vordert thans een verklaring voor recht dat zij per 1 oktober 2008 werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een arbeidsomvang van 23 uur per week. Het hof heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen. Het hof oordeelde onder meer dat werkneemster kennelijk pas op 1 juli 2009 een beroep op artikel 7:610b BW heeft gedaan en dat deze vaststelling geen effect sorteert voor de periode voor 1 juli 2009. Daarnaast achtte het hof de referentieperiode van drie maanden voorafgaande aan 1 juli 2009 niet representatief. Zij heeft de referentieperiode op 12 maanden voorafgaande aan 1 juli 2009 gesteld en geoordeeld dat de arbeidsomvang op 21 uur per week gesteld moet worden. Tegen deze oordelen keert werkneemster in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Indien het hof ervan is uitgegaan dat een verzoek tot vaststelling van het aantal werkuren aan de hand van het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW niet kan worden toegewezen met ingang van een datum vóór die van de indiening van dat verzoek, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Noch de tekst van de wet, noch haar totstandkomingsgeschiedenis biedt steun voor een zodanig beperkte uitleg. Indien het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat de omstandigheden van het onderhavige geval ertoe nopen de toewijzing aldus te beperken, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Werkneemster had immers aanpassing gevraagd van het haar ter ondertekening toegezonden arbeidscontract, dat – naar tussen partijen vaststaat – als ingangsdatum 1 oktober 2008 had. De enkele omstandigheid dat dit verzoek ‘eerst’ op 1 juli 2009 is gedaan, kan zonder motivering, die ontbreekt, niet meebrengen dat het pas vanaf die datum kan worden toegewezen, zeker niet nu de op schrift gestelde (concept)overeenkomst die de aanleiding vormde tot het verzoek pas in maart 2009 aan werkneemster ter ondertekening is toegezonden. De Hoge Raad wijst de verwijzingsrechter erop dat bij de vaststelling van de arbeidsomvang het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de uren die werkneemster langer werkte dan de door TNT gehanteerde normtijden niet mede in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de arbeidsomvang.