Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever (Grandcafé 1850)
Hoge Raad, 27 april 2012
ECLI:NL:HR:2012:BV6939

werkneemster/werkgever (Grandcafé 1850)

Werknemer dient stelling dat voorovereenkomst eigenlijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is te bewijzen. Aanbod van bewijs mag niet gepasseerd worden

Op 13 november 2007 hebben Grandcafé 1850 B.V. i.o. en werkneemster een overeenkomst gesloten, inhoudend dat werkneemster met ingang van 1 december 2007 incidenteel en op afroep arbeid zou verrichten. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat indien werkneemster gehoor zou geven aan een oproep, tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou worden gesloten, voor een op dat moment vast te stellen tijdsduur en omvang. In de maanden januari tot en met juni 2008 heeft werkneemster fulltime gewerkt tegen een brutomaandsalaris van € 3.506,45, exclusief 8% vakantietoeslag (38 uren per week). De centrale vraag in het onderhavige geding is of werkneemster werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (standpunt werkneemster) of op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (standpunt Grandcafé 1850). Werkneemster heeft daartoe een kopie van de ‘voorovereenkomst’ in het geding gebracht, waaruit zou blijken dat ‘per 1 januari 2008 werknemer voor minimaal 38 uren per week werkzaam [zal] zijn’. Grandcafé betwist de echtheid van deze overeenkomst. Uit haar overeenkomst zou blijken dat nog steeds sprake is van een voorovereenkomst en dat de oproep van werkneemster tot een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft geleid met einddatum 1 september 2008. Het hof heeft werkneemster belast met het bewijs van haar stellingen en geoordeeld dat de in het geding gebrachte overeenkomst daartoe onvoldoende is.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het hof heeft geoordeeld dat het op de weg ligt van werkneemster de juistheid van haar standpunt te bewijzen. Het hof heeft dit oordeel aldus gemotiveerd dat in de tekst van de tussen partijen gesloten overeenkomst, ook in de door werkneemster daarvan overgelegde versie, sprake is van een oproepcontract dat kan uitmonden in een of meer arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Het hof verwees daartoe met name naar artikel 6 van die overeenkomst, in lid 1 waarvan is bepaald dat indien de oproepkracht gehoor geeft aan een oproep van de werkgever, tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zal worden gesloten, voor een op dat moment vast te stellen tijdsduur en omvang. In de woorden ‘met name’ ligt besloten dat het hof daarnaast acht heeft geslagen op de verdere inhoud van de overeenkomst, voor zover partijen identieke versies daarvan hebben overgelegd. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd. Wel acht het hof het passeren van het bewijsaanbod van werkneemster in de gegeven omstandigheden onbegrijpelijk. Volgt alsnog vernietiging en verwijzing.