Rechtspraak
eiser/Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Eiser stelt in de onderhavige procedure het UWV aansprakelijk wegens het niet (goed) faciliteren van het vinden van werk bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Inzet van de procedure is het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat het besluit van het UWV om eiser niet langer als belanghebbende in de zin van de sociale werkvoorziening te beschouwen dient te worden vernietigd. Eiser eist uit hoofde van de zojuist kort aangeduide feiten in verschillende varianten schadevergoeding ten laste van (de rechtsvoorgangers van) het UWV. Deze vordering werd in beide feitelijke instanties niet-toewijsbaar geoordeeld. Een centrale plaats in de beoordeling in beide instanties komt toe aan het gegeven dat het onaannemelijk werd geacht dat eiser in verband met de beslissing uit april 1999 schade zou hebben geleden. Hij was ten tijde van die beslissing 62 jaar, en was inmiddels circa 29 jaar werkloos. Daarom werd als onaannemelijk beoordeeld dat eiser, wanneer de als onrechtmatig aangemerkte beslissing uit april 1999 achterwege zou zijn gebleven, een reëel vooruitzicht op (het vinden van) een baan zou hebben gehad. Tegen dit oordeel keert eiser zich in cassatie.
De advocaat-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. De A-G wijst erop dat het enkele feit dat de CRvB heeft geoordeeld dat een bepaalde beslissing onrechtmatig is, nog niet met zich brengt dat eiser in civielrechtelijke zin aanspraak heeft op schadevergoeding. Ook de klachten inzake de bewijslast (niet eiser maar UWV zou de schade dienen te bewijzen) faalt.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.