Naar boven ↑

Rechtspraak

Verenigde Bedrijven Noppert B.V./werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 juni 2012
ECLI:NL:GHLEE:2012:BW9837

Verenigde Bedrijven Noppert B.V./werknemer

Werkgever is opvolgend werkgever ten aanzien van de te verrichte werkzaamheden. Toepassing Van Tuinen-arrest. Beroep op artikel 6:248 BW voor matiging loonvordering faalt. Slechte situatie in de bouw onvoldoende voor matiging loonvordering

Noppert is een bedrijf dat vermogen belegt en beheer voert over andere ondernemingen of vennootschappen. Zij richt zich daarbij op de bouw en bouwgerelateerde bedrijvigheid. Noppert houdt de aandelen in Bouw- en Aannemingsmaatschappij Noppert B.V. (hierna: BM Noppert) en in Tiltup Systeem Noppert B.V. (hierna: Tiltup). Werknemer heeft in dienst van GKH (uitzendbureau) vanaf week 43/2006 werkzaamheden verricht als timmerman voor BM Noppert en dan weer voor Tiltup. De werkzaamheden zijn soms kort (enkele weken) onderbroken geweest voor uitzending aan derden. Op deze werkzaamheden was de CAO voor de Bouwnijverheid van toepassing. Vanaf 2008 verricht werknemer deze werkzaamheden voor Noppert en Tiltup via Special Projects Bouwservice. Op deze arbeidsovereenkomst is de NBBU-CAO van toepassing. Werknemer is met ingang van 5 januari 2009 in de functie van timmerman in dienst van Noppert getreden op basis van 40 uur per week voor de duur van één jaar. Noppert heeft werknemer te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. De centrale vraag is of werknemer op grond van de ketenregeling inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Noppert heeft. Doorslaggevend is het antwoord op de vraag of de verschillende dienstverbanden met de andere werkgevers de conclusie rechtvaardigen dat Noppert opvolgend werkgever is. Naar het oordeel van Noppert is dit niet het geval, daar BM Noppert en Tiltup behoudens dezelfde moedermaatschappij, niets met elkaar van doen hebben (eigen directie en andere werkzaamheden). De werkzaamheden bij Tiltup zijn niet uitwisselbaar met die bij BM Noppert (productiebouw versus timmerwerk).

Het hof oordeelt als volgt. Noppert heeft als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW te gelden, indien enerzijds de arbeidsovereenkomst van Noppert met werknemer wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden van werknemer eist als dat in de overige overeenkomsten het geval is geweest, en anderzijds tussen Noppert en de vorige werkgevers zodanige banden bestaan dat het door deze laatste werkgevers op grond van hun ervaringen met werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan Noppert (HR 11 mei 2012, LJN BV9603, JAR 2012/150). Uit hetgeen ter zitting is gebleken, volgt dat BM Noppert werknemer eerst via GKH en vervolgens via Special Projects als timmerman heeft ingeleend en dat BM Noppert werknemer in die functie in haar eigen onderneming tewerk heeft gesteld, maar hem ook als zodanig aan haar gelieerde ondernemingen ter beschikking heeft gesteld. Aansluitend op de inleenperioden, te weten per 5 januari 2009, is werknemer als timmerman in dienst getreden van Noppert. Nu niet anders is gesteld of gebleken, moet ervan worden uitgegaan dat de vaardigheden en verantwoordelijkheden die van werknemer werden verlangd in de perioden dat hij door BM Noppert werd ingeleend, dezelfde zijn als die van hem werden verlangd toen hij als timmerman bij Noppert in dienst trad. Nu BM Noppert een dochtermaatschappij van Noppert is, had Noppert door de ervaringen van BM Noppert met werknemer voldoende inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid. Ook heeft werknemer voor Tiltup, een andere dochteronderneming van Noppert, werkzaamheden verricht. Mede gelet op het feit dat Noppert zelf geen (bouw)werkzaamheden verricht, moet het door BM Noppert en Tiltup verkregen inzicht in de hoedanigheden en geschiktheid van werknemer redelijkerwijs worden toegerekend aan Noppert. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW. Mede gelet op het bepaalde in artikel 6 in de relevante cao’s is dus sprake geweest van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen Noppert en werknemer. Het beroep op artikel 7:680a BW faalt, omdat geen sprake is van een vernietigbare opzegging. Naar aanleiding van het door Noppert gedane beroep op artikel 6:248 lid 2 BW overweegt het hof dat het een bekend gegeven is dat de bouwwereld het de laatste jaren moeilijk heeft. Noppert heeft voldoende onderbouwd dat ook zij in zwaar weer verkeerde en inmiddels in staat van faillissement is verklaard. Dat maakt echter niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de loonvordering van werknemer toe te wijzen.