Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 juni 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BX4129
FNV Bondgenoten c.s./Aviko B.V.
De bonden en Aviko hebben een collectieve arbeidsovereenkomst (verder: de cao) gesloten. Deze is in werking getreden op 1 januari 2007 en is geëindigd op 31 december 2008. In de artikelen 7 en 8a van de cao zijn bepalingen opgenomen over de dienstroosters van de werknemers van Aviko en de toeslagen op het loon voor onder meer de werknemers in de ploegendiensten. Voor de bij de technische dienst (verder: TD) werkzame monteurs heeft Aviko een semi-vijfploegenrooster opgesteld, dat een combinatie vormt van een dagdienst- en een vijfploegendienstrooster, elk voor 50%. De daarbij behorende ploegentoeslag is door Aviko, volgens Aviko met correcte toepassing van artikel 8a lid II van de cao en na overleg tussen Aviko, de betrokken TD-medewerkers en de ondernemingsraad (verder: OR), vastgesteld op 16%. De bonden stellen zich op het standpunt dat het door Aviko vastgestelde percentage van 16 strijdig is met artikel 8a van de cao. Zij stellen dat het dienstrooster gecombineerd met de inconveniëntentabel en de toe te passen 1% verhoging bepalend is voor de hoogte van de toeslag. Andere omstandigheden of factoren worden in de cao niet genoemd. De afspraken tussen Aviko en de betrokken werknemers, waarbij het percentage van 16 is overeengekomen, zijn nietig op grond van artikel 12 van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst (verder: Wet CAO). De ploegentoeslag dient voor de werknemers in het semi-vijfploegendienstrooster 20% te bedragen, aldus de bonden.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat het semi-vijfploegenrooster een zogenoemd afwijkend ploegendienstrooster is als bedoeld in artikel 8a lid IV van de cao, ten aanzien waarvan de ploegentoeslag vastgesteld dient te worden op basis van artikel 8a lid IV jo. II van de cao. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van dit artikel 8a lid II van de cao, waarbij vooral de betekenis van de woorden 'in het bijzonder' partijen verdeeld houdt. Indien aan de woorden 'in het bijzonder' in artikel 8a lid II van de cao de betekenis wordt gehecht die Aviko daarin leest, dan zou dat inhouden dat de bonden door in te stemmen met de cao de mogelijkheid uit handen hebben gegeven het toeslagpercentage voor niet-benoemde ploegendiensten mede te bepalen. Die bevoegdheid zou dan immers eenzijdig aan Aviko toekomen. Dat dit naar objectieve maatstaven niet uit de cao volgt, ligt besloten in de tekst van de slotpassage van artikel 8a lid IV ('met dien verstande dat ook de aldus berekende ploegentoeslag met 1% extra zal worden verhoogd'): deze passage gaat uit van de berekening van een toeslagpercentage aan de hand van de inconveniëntentabel. Wanneer tussen die berekening en de vaststelling van het percentage van de ploegendiensttoeslag een afzonderlijk beslismoment wordt geplaatst dat tot een bijstelling leidt (zoals overeenkomstig de stellingen van de bonden een akkoord tussen Aviko en de ondernemingsraad met betrekking tot de verlaging van het berekende percentage is), dan wordt het tussen Aviko en de bonden bereikte en in de cao vastgelegde resultaat terzijde gesteld. Dit is strijdig met artikel 12 Wet CAO, zodat de afspraken tussen Aviko en de betrokken werknemers met betrekking tot de 16% semi-vijfploegendiensttoeslag nietig zijn. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd. Indien aan de woorden 'in het bijzonder' de betekenis zou toekomen dat een tussen Aviko als werkgever en de bonden overeengekomen onderdeel van de cao in overleg tussen Aviko en (in casu) de ondernemingsraad nader kon worden ingevuld, dan had het voor de hand gelegen dat de bonden en Aviko daarvoor - anders dan is geschied - een uitdrukkelijke voorziening in de cao hadden getroffen. Het percentage dient op 20 te worden gesteld.
De bonden hebben hun vorderingen onder B. van de inleidende dagvaarding (het verstrekken van in het petitum in eerste aanleg genoemde overzicht en het overgaan tot betaling van toeslagen, met nevenvorderingen) gebaseerd op artikel 3:305a BW. Niet in geschil is dat de bedoelde vorderingen voldoen aan de eisen die dit artikel stelt. Evenwel kan op grond van het door Aviko aangehaalde arrest HR 19 december 1997, NJ 1998, 403 geen toewijzing ten gunste van individuele werknemers plaatsvinden als deze geen aanspraak wensen te maken op die toewijzing. De toewijzing zal daarom voorwaardelijk zijn in die zin dat de veroordeling Aviko slechts verplicht tot het doen van de betalingen voor zover individuele rechthebbende werknemers haar schriftelijk, met afschrift aan de bonden, hebben doen weten aanspraak op de betaling te maken.