Rechtspraak
Arbo Unie BV/werknemer
Werknemer is in 1980 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Arbo Unie. Arbo Unie heeft voor werknemer wegens bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning aangevraagd. Het UWV WERKbedrijf heeft de ontslagvergunning geweigerd en geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule en/of het onmisbaarheidscriterium ten aanzien van A (die op grond van het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking komt) niet slaagt. De ontslagvoordracht van werknemer is niet volgens het afspiegelingsbeginsel. Thans verzoekt Arbo Unie ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Arbo Unie is, in het kader van een goede, actief meewerkende en adequaat informerende werkgever, onvoldoende duidelijk geweest in haar keuze voor onmisbaarheid of hardheid als twee van de drie uitzonderingen op het afspiegelingsbeginsel (op de zwakke arbeidsmarktpositie van werknemer is geen beroep gedaan). Indien daadwerkelijk gekozen is voor de toepassing van het criterium van de onmisbaarheid, dan had het op Arbo Unie’s weg gelegen UWV ervan te overtuigen dat de boven werknemer verkozen werknemer niet alleen bijzondere kennis of bekwaamheid had, maar had Arbo Unie ook de bezwaarlijkheid van ontslag van de uitverkozen medewerker moeten toelichten. Arbo Unie heeft er evenwel voor gekozen voortdurend aan te geven dat de werknemer niet gemist kan worden, omdat hij werkgelegenheid creëert in die zin dat, indien hij bij de klant/opdrachtgever blijft zitten, dat voor Arbo Unie voordelig is en indien hij zou moeten wijken vanwege de afspiegeling, de klant wellicht niet met Arbo Unie als opdrachtnemer door wenst te gaan. Bij het innemen van dat standpunt is Arbo Unie er ten onrechte van uitgegaan dat zij dan niets meer hoeft aan te tonen of aannemelijk te maken over de terecht door UWV op grond van de eigen regels gevraagde toelichting op en onderbouwing van de bijzondere kennis of vaardigheden. Het beroep op het onmisbaarheidscriterium dient dan ook buiten beschouwing te blijven.
Ten aanzien van de hardheidsclausule wordt overwogen dat uit de door Arbo Unie gegeven toelichting voldoende blijkt dat geen sprake is van het werken onder leiding of toezicht. Daarom alleen al is het oordeel van UWV in het kader van de toepassing van de eigen beleidsregels juist. Daar komt nog bij dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het bedrijf dat A inhuurt daadwerkelijk in onmogelijkheid verkeert om een ruil te laten toepassen. Ten minste nodig is de voldoende onderbouwde aannemelijkheid dat de inlenende werkgever een ruil daadwerkelijk, op objectieve gronden (en dus na een voor de kantonrechter zichtbare uitwisseling van gegevens en argumenten tussen werkgever en inlener) niet aankan, anders dan dat het natuurlijk altijd wel gemakkelijk en handig is om iemand die al ingewerkt is te houden. Het verzoek om op grond van de billijkheid ex artikel 7:685 lid 2 BW tot een ruimere toepassing te komen van de begrippen hardheid en onmisbaarheid dan UWV WERKbedrijf in het kader van de redelijkheid heeft gedaan, wordt afgewezen. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.