Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Plukon Blokker B.V.
Rechtbank Noord-Holland, 14 juni 2012
ECLI:NL:RBALK:2012:BX6338

werknemer/Plukon Blokker B.V.

Werkgever stopt ten onrechte de loondoorbetaling aan arbeidsongeschikte werknemer. Opgedragen werkzaamheden zijn geen passende arbeid. Onvoldoende re-integratie-inspanningen werknemer niet komen vast te staan

Werknemer is als assistent meewerkend voorman in dienst van Plukon. Werknemer is in 2009een arbeidsongeval overkomen, waarbij hij met zijn rechterhand in een sealmachine bekneld is geraakt. Hij is als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt geworden. Na werkhervatting in 2010 is hij in 2011 wederom uitgevallen. In december 2011 is Plukon een loonsanctie opgelegd wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen. Plukon heeft begin 2012 de loonbetaling aan werknemer gestopt, omdat werknemer onvoldoende meewerkt aan re-integratie. Werknemer weigert de door Plukon opgedragen aangepaste werkzaamheden te verrichten. Thans vordert werknemer loondoorbetaling.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Plukon heeft aan werknemer opgedragen om vier uur per dag werkzaamheden te gaan verrichten. In het midden kan blijven of aan werknemer de eigen dan wel aangepaste werkzaamheden als controleur zijn aangeboden. In beide gevallen is namelijk geen sprake is van passende arbeid. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 4 oktober 2011 en de rapportage van de bedrijfsarts van Plukon van 30 mei 2012 blijkt dat werknemer ongeschikt is voor zijn eigen werk. Daarnaast kan uit laatstgenoemde rapportage niet anders worden afgeleid dan dat werknemer ook niet geschikt is voor andere werkzaamheden bij Plukon, nu daarin door de bedrijfsarts wordt meegedeeld dat terugkeer in het eigen werk niet meer mogelijk is en werkhervatting in het tweede spoor is aangewezen. De stelling van Plukon dat werknemer meer in zijn algemeenheid niet heeft meegewerkt aan re-integratie wordt niet gevolgd. Anders dan Plukon stelt kan het overleggen van een deskundigenverklaring ex artikel 7:629a BW, nu het een vordering in kort geding betreft, niet van werknemer worden gevergd. Volgt toewijzing van de loonvordering.