Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Kleintheater Zwijndrecht
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 4 september 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BX7245

werkneemster/Stichting Kleintheater Zwijndrecht

Ontslag zonder vergoeding directeur theater na staking subsidie lokale gemeente is kennelijk onredelijk. Overige werknemers kregen WW-suppletie. Werkneemster heeft ook recht op suppletie en voor langere duur vanwege haar leeftijd en arbeidsmarktpositie

Werkneemster (geboren 1954) is van 1 januari 1994 t/m 1 januari 2009 bij SKZ in dienst geweest, vanaf het jaar 2000 in de functie van directeur/zakelijk leidster van theater De Uitstek te Zwijndrecht tegen een salaris van € 4.057 bruto per maand. Op 26 september 2008 heeft de CWI aan SKZ toestemming verleend om het dienstverband met werkneemster te beëindigen, dit in verband met het gegeven dat SKZ met ingang van 1 januari 2009 niet meer in aanmerking kwam voor subsidieverlening door de gemeente Zwijndrecht, hetgeen haar voornaamste inkomstenbron was. Door de gemeente Zwijndrecht is middels SKZ een aanbod gedaan tot een ontslagvergoeding ad € 60.000. Werkneemster heeft dit aanbod (tot tweemaal toe) afgewezen. De overige werknemers hebben een ontslagvergoeding van één jaar WW-suppletie ineens gekregen.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan SKZ meent, is het aanbod van de gemeente geen voorziening als bedoeld in artikel 7:681 BW, omdat werkneemster het voor een bepaalde termijn moest accepteren. Voorts acht het hof sprake van schending van het goed werkgeverschap, omdat aan de andere werknemers wel en aan werkneemster in kwestie niet een vergoeding is toegekend. Naar het oordeel van het hof brengt de norm van het goed werkgeverschap mee dat SKZ nog gedurende zekere tijd werkneemster in financiële zin de hand boven het hoofd had behoren te houden om haar zodoende in de gelegenheid te stellen zonder aanmerkelijk inkomensverlies naar ander betaald werk te zoeken. Die gewenningsperiode bepaalt het hof in het geval van werkneemster in vergelijking met de andere werknemers op een enigszins langere periode dan de periode van één jaar als van toepassing voor de andere werknemers. Alles afwegende komt het hof tot een periode van 18 maanden aanvulling op de WW, evenals bij de overige werknemers te betalen bij wijze van bedrag ineens bij het einde van het dienstverband, dat door het hof is berekend en aldus wordt vastgesteld op een brutobedrag van € 28.500. Onder de schade die werkneemster lijdt valt tevens het werkgeversdeel pensioenpremie.