Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 21 augustus 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6977

werkgever/werknemer

Werkgever slaagt niet in bewijs dat werknemer (om medische redenen) niet in staat is de oorspronkelijke functie uit te oefenen, zodat demotie/salarisverlaging niet gerechtvaardigd is

Werknemer is sinds 1993 in dienst van werkgever. Tot 2005 in de functie van allround medewerker (op de afdeling) Uitbeenderij en sedert 6 juni 2005 in de functie van (allround) medewerker (op de afdeling) Koud vlees expeditie. Werknemer kampt vanaf 2003 met gezondheidsklachten en is meermalen uitgevallen. In december 2008 bericht werkgever aan werknemer dat hij vanaf januari voortaan 90% van zijn laatstverdiende loon krijgt vanwege de verminderde inzetbaarheid van werknemer in zijn functie. Volgens werkgever is zij daartoe gemachtigd krachtens artikel 20 CAO Vleessector en moet de laatstverrichte passende arbeid van werknemer als nieuw bedongen arbeid worden beschouwd. De kantonrechter heeft de loonvordering van werknemer toegewezen, stellende dat geen sprake is van een functiewijziging nu werknemer zijn oorspronkelijke functie weer heeft hervat na een periode van arbeidsongeschiktheid. Volgens werknemer heeft hij de functie op de afdeling Uitbeenderij niet meer kunnen verrichten omdat deze functie was overgenomen door een collega, dan wel was komen te vervallen.

Het hof oordeelt als volgt. De door werkgever gestelde ongeschiktheid (om medische redenen) van werknemer om zijn functie van allround medewerker Uitbeenderij te vervullen is niet komen vast te staan en daarmee evenmin de aangevoerde reden voor functiewijziging. Dit oordeel impliceert dat ook geen sprake is van de door werkgever gestelde situatie waarop artikel 20 (lid 1) van de cao ziet en dat niet kan worden aangenomen dat de functie van (allround) medewerker Koud vlees expeditie (in plaats van de functie van allround medewerker Uitbeenderij) als vervangende passende arbeid moet worden aangemerkt. De vraag of en wanneer nieuwe passende arbeid inmiddels als bedongen arbeid moet worden aangemerkt (zoals werd aangenomen in door werkgever in haar memorie van grieven genoemde, in verband met artikel 7:629 BW gewezen uitspraken) en wat de eventuele gevolgen daarvan voor de salarisverplichting zijn, behoeft derhalve geen beantwoording.