Rechtspraak
GVB Exploitatie B.V./werknemer
Werknemer is in oktober 2006 benoemd als statutair directeur van GVB Holding. Op 1 juli 2008 is hij in dienst getreden van GVB Exploitatie. Hij was verantwoordelijk voor financiën, informatievoorziening, controlling, salarisadministratie, inkoop, arbeidsjuridische zaken, arbodienst, vastgoed en milieu, facilitair bedrijf, OV-chipkaart, kennismanagement en projecten. Eind maart 2012 is een aantal artikelen in De Telegraaf gepubliceerd. De Telegraaf berichtte daarin dat door valse declaraties, steekpenningen, ongecontroleerde aanbestedingen en vriendjespolitiek miljoenen zijn verdwenen. Na een onderzoek door BDO heeft de RvC geconcludeerd dat werknemer niet als statutair directeur kan aanblijven. Hij is als statutair directeur ontslagen. Thans verzoekt GVB ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het vennootschapsrechtelijk ontslag van werknemer als bestuurder van GVB Holding brengt een zodanige verandering van omstandigheden met zich dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en GVB Exploitatie is geïndiceerd. Ten aanzien van de vergoeding wordt het volgende overwogen.De conclusie van de RvC op grond van het BDO-rapport van 7 juni 2012 is dat de directie geen fraude kan worden verweten in de zin van zelfverrijking. Van belangenverstrengeling, privécontacten, onjuist declaratiegedrag en dergelijke is niet gebleken. Desondanks heeft de RvC reeds op 8 en 9 juni 2012 geconcludeerd dat de directie niet kon aanblijven. Op basis van het feitenonderzoek door BDO heeft de RvC op 8 en 9 juni 2012 een zogeheten uitkomstenonderzoek opgesteld. Daarin heeft de RvC de feitelijke bevindingen van BDO per geval samengevat. De RvC heeft echter bij de weging van de feiten per incident het handelen van de gezamenlijke directie geclassificeerd. Dit is ten onrechte niet per directielid uitgesplitst.
De kantonrechter bespreekt puntsgewijs de door BDO onderzochte incidenten die GVB Exploitatie aan het ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Geconcludeerd wordt dat de door GVB Exploitatie aangedragen verwijten niet de conclusie kunnen dragen dat werknemer opzettelijk heeft gehandeld in strijd met wet- en regelgeving en hij ten onrechte de afdeling Inkoop buitenspel heeft gezet. Voorts wordt van belang geacht dat in de periode waarover het onderzoek zich uitstrekt honderd aanbestedingen hebben plaatsgevonden. Tegenover deze honderd aanbestedingen staat dan het verwijt van schending van de aanbestedingsregels in vijf gevallen. Hieruit blijkt dan ook niet dat de directie een cultuur in stand hield om de aanbestedingsregels bewust te negeren. GVB Exploitatie heeft dit ten onrechte niet relevant geacht. Bovendien was er geen redelijke grond om zo kort na het afkomen van het BDO-rapport het voorgenomen ontslag reeds aan te kondigen bij allerlei geledingen en in de pers, nog voordat werknemer in de gelegenheid was gesteld om zijn zienswijze te geven, na bestudering van het BDO-rapport en de stukken van de RvC. Niet valt in te zien waarom de RvC haar beslissing over de positie van de directeuren niet op een later moment had kunnen nemen. Nu was het wederhoor van werknemer bij de AVA in feite illusoir omdat het ontslagvoornemen al op straat lag. Aangenomen wordt dat het voor werknemer door de negatieve publiciteit moeilijker zal zijn om elders een vergelijkbare positie te verwerven. Aan werknemer wordt een vergoeding toegekend met C=1,75 (€ 268.000 bruto).