Rechtspraak
werkgever/werknemer
Werknemer is op 1 mei 2001 in dienst getreden als bedrijfsleider bij X NV. Op zijn arbeidsovereenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg van toepassing. Deze cao voorziet in een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen. PVF, de uitvoerder voor de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (hierna: BPF), heeft op een bezwaar van werkgever uiteindelijk in 2004 vastgesteld dat met terugwerkende kracht de aansluiting van werkgever per 1 januari 2002 wordt beëindigd. Werknemer is op 8 december 2002 uitgevallen wegens ziekte. Met ingang van 8 december 2003 heeft het UWV aan werknemer een WAO-uitkering toegekend. Werkgever heeft de pensioenverzekering voor haar werknemers, waaronder een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering, uiteindelijk per 1 augustus 2003 ondergebracht bij De Goudse N.V. PVF heeft de aanvraag van werknemer bij het BPF om een aanvullend invaliditeitspensioen afgewezen. Ook de Goudse heeft de aanvraag afgewezen. Werknemer heeft hierop werkgever aansprakelijk gesteld voor zijn schade. Hij stelt in deze procedure dat werkgever krachtens de arbeidsovereenkomst en de cao gehouden was om ten behoeve van hem een pensioenvoorziening, waaronder een invaliditeitspensioen, af te sluiten. Nadat werknemer arbeidsongeschikt is geraakt is hem gebleken dat een voorziening voor een invaliditeitspensioen ontbrak, aangezien de onderneming van werkgever niet (meer) onder de cao viel en werkgever niet meer aangesloten was bij het BPF, zodat werknemer geen aanspraak had op een (aanvullend) invaliditeitspensioen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat werkgever toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichting als werkgever om zorg te dragen voor een pensioenvoorziening ten behoeve van hem. Werknemer vordert vergoeding van zijn schade, bestaande uit de gemiste en te missen pensioenuitkeringen. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. De enkele omstandigheid dat werknemers arbeidsovereenkomst per 1 september 2003 was ontbonden waardoor hij per 8 december 2003 geen deelnemer meer was in de zin van PVF, brengt nog niet met zich dat werknemer geen (relevante) schade heeft geleden. Het is immers niet ondenkbaar dat werknemer nadien op vrijwillige basis de verzekering had willen voortzetten. Werkgever heeft niet gesteld dat werknemer een dergelijk verzoek niet had kunnen doen, dan wel dat zijn verzoek geen kans van slagen zou hebben gehad. Op dit punt zal de zaak worden aangehouden voor nadere bewijsvoering.
Met betrekking tot de al dan niet gebondenheid krachtens het incorporatiebeding, oordeelt het hof als volgt. Tussen partijen staat vast dat zij er beide bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst op 29 maart 2002 (naar achteraf is gebleken ten onrechte) vanuit zijn gegaan dat de onderneming van werkgever viel onder de werkingssfeer van de cao. In het midden kan blijven of artikel 4 aldus moet worden uitgelegd dat partijen bedoeld hebben om de betreffende cao-bepalingen ook van toepassing te doen zijn in het geval werkgever niet onder de werkingssfeer van de cao zou vallen. In beide gevallen rustte er naar het oordeel van het hof een verplichting op werkgever tot het zorgdragen voor een deugdelijke pensioenvoorziening (waaronder een arbeidsongeschiktheidspensioen) voor werknemer, ofwel rechtstreeks op basis van de toen geldende cao ofwel op basis van de slotzin van artikel 4. Deze slotzin bepaalt immers dat ‘in andere gevallen’ door de werkgever overeenkomstige voorzieningen naar algemeen gebruik worden vastgelegd. Deze zin kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat hiermee een regeling wordt gegeven voor het geval één of meer bepalingen van de cao niet van toepassing (blijken te) zijn. Het hof is gelet op het vorenstaande en het feit dat werkgever maandelijks pensioenpremie inhield op het salaris van werknemer, van oordeel dat werknemer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat werkgever had zorggedragen althans zou zorgdragen voor een deugdelijke pensioenvoorziening, waaronder een arbeidsongeschiktheidspensioen. Het verweer van werkgever dat zij nooit een eigen verplichting tot het doen van een pensioentoezegging bij invaliditeit op zich heeft willen nemen, kan haar niet baten. Gesteld noch gebleken is dat werkgever die wil op voor werknemer kenbare wijze heeft geuit.