Naar boven ↑

Rechtspraak

ABN AMRO/werknemer
Hoge Raad, 12 oktober 2012
ECLI:NL:HR:2012:BX7588

ABN AMRO/werknemer

Ex-werknemer behoudt recht op uitoefenen van personeelsopties ABN AMRO na einde dienstverband, ondanks finale kwijting in beëindigingsovereenkomst wegens het feit dat de opties geen onderdeel van de onderhandelingen bij de beëindiging hebben gespeeld. Het optievervalbeding in het optiereglement kan werknemer niet worden tegengeworpen, nu het goed werkgeverschap met zich bracht dat ABN AMRO werknemer op het verval had moeten wijzen

Werknemer (geboren 1950) is in 1971 in dienst getreden van ABN AMRO, laatstelijk in de functie van ‘Director of Commerce/Senior Vice President Haarlemmermeer’. Op 2 augustus 2006 hebben partijen een overeenkomst gesloten over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2006. Conform hetgeen partijen waren overeengekomen, heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2007 ontbonden onder toekenning aan werknemer van de overeengekomen ontbindingsvergoeding van € 628.965 bruto (de toen geldende zogenoemde kantonrechtersformule, factor C=1). Over de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 zijn aan werknemer personeelsopties toegekend in het kader van het zogenoemde Key Staff Options Programme. Alleen de over 2003 toegekende optierechten heeft werknemer (in 2006) uitgeoefend. Werknemer heeft op 8 oktober 2007 opgemerkt dat de andere personeelsopties (totaal 4700) waren verwijderd uit zijn effectendepot wat betekende dat deze feitelijk niet meer konden worden uitgeoefend. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Overleg tussen partijen heeft er niet toe geleid dat werknemer alsnog in de gelegenheid is gesteld zijn opties te verzilveren. Het hof oordeelde dat van ABN AMRO – als goed werkgever – verwacht had mogen worden werknemer te wijzen op het feit dat de opties mogelijk zouden komen te vervallen, indien partijen daar geen nadere afspraken over maakten (conform het optiereglement). Voorts zou ABN AMRO in de gegeven omstandigheden geen beroep toekomen op het beding van finale kwijting, omdat tijdens de onderhandelingen over de beëindigingsovereenkomst de opties geen enkel moment onderdeel van de onderhandelingen waren, zodat werknemer ook niet mocht of had moeten begrijpen dat de finale kwijting mede op de nog niet uitgeoefende optierechten zag.

In cassatie wordt een aantal klachten aangevoerd. Onder meer wordt de stelling betrokken dat de ‘spelregels’ van de optieregeling helder waren; dat werknemer de spelregels ter hand zijn gesteld en mede gezien zijn opleiding en positie verwacht mocht worden dat hij de inhoud van de spelregels kende, zodat ABN AMRO geen aanvullende informatieplicht had bij de onderhandelingen; ten slotte wordt aangevoerd dat de opties zijn komen te vervallen door het in de beëindigingsovereenkomst opgenomen beding van finale kwijting. De A-G (Spier) verwerpt het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.