Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgever profiteert niet van wanprestatie werknemer, aangezien onvoldoende vaststaat dat werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden. Uitleg van het concurrentiebeding leidt tot de conclusie dat het enkel in dienst treden niet tot schending van het concurrentiebeding leidt

Werknemer (41 jaar) is bij Mitt werkzaam geweest in de functie van Customer Service medewerker. Op de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding van toepassing. Nadat partijen met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst hebben beëindigd per 12 juni 2009, is werknemer binnen een jaar in dienst getreden van R-Logistics. R-Logistics is een concurrent van Mitt. Mitt heeft in eerste aanleg zowel werknemer als R-Logistics gedagvaard, stellende dat werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden en R-Logistics profiteert van de wanprestatie van werknemer. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen toegewezen, overweegende dat het concurrentiebeding aldus moet worden uitgelegd dat het enkel in dienst treden van R-Logistics tot overtreding van het beding leidt. Van dit vonnis is (enkel) R-Logistics in hoger beroep gekomen.

Het hof oordeelt als volgt. Uit niets blijkt dat het beding er mede toe strekte de werknemer te verbieden bij Mitt in dienst te treden. Weliswaar heeft de kop van artikel 12 als aanhef ‘concurrentiebeding’, maar vervolgens worden er (in art. 12 lid 1 sub 1 en sub 3) enkel concreet beschreven handelingen verboden die verricht worden vanuit een zekere positie. Die positie kan ook zijn een dienstbetrekking bij een concurrent. Het gaat in dit artikel om de handeling (het benaderen en onderhouden, het op een nader gedefinieerde wijze werkzaam zijn voor), niet om de hoedanigheid van degeen die handelt. Tegen die achtergrond hoefde de werknemer, in aanmerking genomen het feit dat het beding door Mitt is opgesteld en uit niets blijkt dat het bewuste beding hem anderszins is uitgelegd, niet te begrijpen dat het enkele in dienst treden bij R-Logistics op grond van bedoelde bepaling niet was toegestaan. Overigens wijst het hof erop dat ook Mitt zelf, zo blijkt uit de pleitaantekeningen van 23 oktober 2009 sub 8 en 12, de nadruk legt op door het ‘concurrentiebeding’ verboden handelingen/werkzaamheden. Dat werknemer dergelijke ‘handelingen’ heeft verricht, is onvoldoende komen vast te staan. Het enkele feit dat een klant van Mitt – waar werknemer contacten mee heeft gehad – is overgestapt naar R-Logistics is onvoldoende om tot schending van het beding te concluderen.