Rechtspraak
Braas & Partners B.V./werknemer
Werknemer is in 2001 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Braas, een assurantiebedrijf. Laatstelijk is hij werkzaam geweest als commercieel medewerker. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding overeengekomen. Met ingang van 1 juli 2011 is werknemer in dienst getreden van Koopman, een onderneming die is opgezet door een voormalig directeur van Braas. In kort geding heeft de kantonrechter te Hoorn werknemer verboden om direct of indirect werkzaamheden te verrichten voor of in dienst van Koopman. Dit vonnis is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 12 maart 2012 bekrachtigd. Thans vordert Braas voor recht te verklaren dat werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden en onrechtmatig heeft gehandeld. Voorts vordert Braas betaling van verbeurde boetes.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan werknemer stelt, is sprake van schending van het concurrentiebeding. Uit verklaringen van werknemer wordt afgeleid dat hij bij Koopman dezelfde soort werkzaamheden heeft verricht als bij Braas. Er is geen grond voor vernietiging van het concurrentiebeding. Er wordt aangesloten bij de overwegingen van het hof hieromtrent. Bovendien heeft werknemer bij drie werkgevers een andere baan kunnen vinden, zodat hij niet wordt gevolgd in zijn stelling dat het niet of nauwelijks mogelijk is geweest om ander werk te vinden. Werknemer is alleen een boete verschuldigd over de dagen waarop hij feitelijk voor Koopman heeft gewerkt, omdat in de arbeidsovereenkomst een verbod is opgenomen om ‘hetzelfde of gelijksoortig werk te verrichten’. Dit brengt mee dat geen boete verschuldigd is over vakantiedagen.
Toepassing van het boetebeding leidt in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat, zodat de boete wordt gematigd tot een bedrag van € 10.000. Braas heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de schending van het concurrentiebeding schade heeft geleden en gezien het salaris van werknemer is een boete van € 34.000 buitensporig. Dat werknemer Braas onrechtmatige concurrentie zou hebben aangedaan na afloop van het concurrentiebeding, is onvoldoende onderbouwd. Tot slot wordt werknemer veroordeeld tot betaling van € 5.000 aan onkosten (onderzoekskosten en interne bedrijfskosten).