Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 4 december 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4682
werkneemster/Rucanor Europe B.V.
Werkneemster is (in ieder geval) sedert 10 april 1995 bij Rucanor in dienst geweest, laatstelijk als magazijnmedewerkster op de afdeling Logistiek in Moerdijk voor 16,5 uur per week. Het laatst verdiende salaris bedroeg € 687,70 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld. Na op 22 mei 2009 verkregen toestemming van UWV WERKbedrijf heeft Rucanor de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd tegen 31 juli 2009. Werkneemster heeft bij gelegenheid van het einde van haar dienstverband met Rucanor, van Rucanor geen financiële compensatie ontvangen. In eerste aanleg heeft zij gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag gevorderd. De kantonrechter heeft laatstgenoemde vordering afgewezen. In hoger beroep vordert werkneemster € 26.564 wegens kennelijk onredelijk ontslag.
Het hof oordeelt als volgt. Op zich is het juist dat het enkele feit dat bij een opzegging (na verkregen toestemming van het UWV WERKbedrijf) geen geldelijke compensatie toegekend wordt, de opzegging nog niet kennelijk onredelijk maakt. Het uitblijven van een geldelijke compensatie kan, gevoegd bij andere omstandigheden, echter wel bijdragen aan het oordeel dat van een kennelijk onredelijke opzegging sprake is. In dezen is dat laatste het geval. Het gaat hier om een oudere (goed functionerende) werknemer die niet geschoold is en jarenlang (ruim 14 jaar) hetzelfde werk van magazijnmedewerkster verricht heeft en dus in haar werk niet de nodige (andere) ervaringen heeft opgedaan. Tegen die achtergrond viel niet te verwachten dat de kansen op de arbeidsmarkt dusdanig waren dat op het moment van opzegging, althans het einde van de arbeidsovereenkomst, te voorzien was dat werkneemster spoedig een andere (vergelijkbare) dienstbetrekking zou vinden. Naar het oordeel van het hof is, gegeven deze omstandigheden de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Rucanor kennelijk onredelijk en komt werkneemster een vergoeding toe als bedoeld in artikel 7:681 BW. Het gaat daarbij om een redelijke vergoeding, niet om het vergoeden van gemis aan inkomen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Rekening houdend met de omstandigheden en het gegeven dat werkneemster een WW-uitkering toekwam, begroot het hof de werkneemster toekomende vergoeding op € 4.200.