Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland, 30 januari 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0341
werkneemster/curatoren in het faillissement van Econcern
Op 11 november 2003 heeft Econcern N.V. (hierna: Econcern), destijds handelend onder de naam Econcern B.V., op voet van artikel 2:403 lid 1 sub f BW een verklaring gedeponeerd, inhoudende dat zij zich, behoudens tussentijdse intrekking conform de wet, hoofdelijk aansprakelijk stelt voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van onder meer haar dochtermaatschappij Evelop B.V. Evelop is op 15 juni 2009 in staat van faillissement verklaard. Werkneemster was in dienst bij Evelop en heeft uit dien hoofde een vordering op Evelop van € 2.674,20, die is bevoorrecht op voet van artikel 3:288 sub e BW. Econcern is op 18 september 2009 failliet verklaard. Wat partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of de preferentie die is verbonden aan de vordering van werkneemster op Evelop, ook is verbonden aan de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering van werkneemster op Econcern.
De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens artikel 3:278 BW ontstaan voorrechten slechts uit de wet. Artikel 3:288 sub e BW geeft slechts, binnen zekere grenzen, een voorrecht aan vorderingen van werknemer op (het vermogen van) werkgever. Econcern geldt niet als werkgever van werkneemster, dat hebben partijen ook niet betoogd. De aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van de dochtervennootschap voor wie zij op voet van artikel 2:403 BW een aansprakelijkheidsverklaring heeft afgegeven, vloeit slechts voort uit die aansprakelijkheidsverklaring (HR 28 juni 2002, LJN AE4663, JOR 2002, 136 (Akzo Nobel/ING)). Artikel 2:403 BW noch enige andere wetbepaling verbindt aan die aansprakelijkheid een voorrecht. Aan het voorgaande doet niet af, anders dan werkneemster stelt, dat de strekking van een op voet van artikel 2:403 BW afgegeven aansprakelijkheidsverklaring is bescherming te bieden aan potentiële schuldeisers die ingevolge de toepassing van de in artikel 2:403 BW gegeven vrijstelling, hun beslissing om al dan niet met de dochtermaatschappij te contracteren niet meer op de jaarstukken van de dochtervennootschap kunnen baseren (vlg. genoemd arrest Akzo Nobel/ING). Bedoelde bescherming heeft de wetgever geboden met niet meer dan de verplichting van de moedervennootschap zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van de betreffende dochtervennootschap (naast de overige door artikel 2:403 BW gestelde voorwaarden), niet tevens met een voorrecht op (de executieopbrengst van) het vermogen van de moedervennootschap indien de vordering op de dochtervennootschap bevoorrecht is.