Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Rotterdam, 19 februari 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:BZ1421

werkgeefster/werkneemster

Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst directrice Spido. Hoewel het beleid en de werkwijzen van directrice ten aanzien van de financiën op sommige gebieden zeer onprofessioneel en onzorgvuldig waren, is een dringende reden niet komen vast te staan. Ontbinding wegens vertrouwensbreuk zonder toekenning vergoeding

Werkneemster is sinds 1999 in dienst van werkgeefster (Spido), laatstelijk als directrice. Zij is op staande voet ontslagen. Thans verzoekt werkgeefster voorwaardelijke ontbinding. Werkneemster worden diverse verwijten gemaakt. Haar wordt onder meer verweten: het regelmatig opnemen van contant geld voor privédoeleinden zonder dit geld terug te betalen, het verstrekken van een lening die niet is terugbetaald, fiscale fraude, een gevonden lege sealbag in de kluis van werkneemster waar € 3.700 in zou moeten zitten, belangenverstrengeling en het laten betalen van privénota’s door werkgeefster.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster maakt werkneemster verwijten die enerzijds zien op beschuldiging van (medewerking aan) verduistering of fraude; anderzijds betreffen de aantijgingen eerder verdachte omstandigheden die vooral lijken te dienen als een illustratie van de door werkgeefster gestelde onzuivere werkwijze van werkneemster. Deze laatste aantijgingen zijn onvoldoende onderbouwd. Werkneemster heeft met betrekking tot de verstrekking van contant geld een buitengewoon onprofessionele werkwijze laten bestaan, als gevolg waarvan voor werkgeefster volstrekt oncontroleerbaar was hoeveel geld er is opgenomen en welk deel daarvan is terugbetaald. Dat sprake is van verduistering is echter onvoldoende aannemelijk geworden, zodat van een dringende reden geen sprake is. Ook de verstrekte lening, de gestelde fiscale fraude en verdwenen sealbags leiden niet tot het oordeel dat sprake is van een dringende reden. Het beleid en de werkwijzen ten aanzien van de financiën onder werkneemster waren op sommige gebieden zeer onprofessioneel en onzorgvuldig. Zakelijke en privétransacties werden nauwelijks gescheiden en veel van de gestelde transacties zijn voor werkgeefster volstrekt oncontroleerbaar. In het kader van deze procedure – waarin voor nadere bewijslevering geen plaats is – is echter onvoldoende komen vast te staan dat werkneemster zichzelf daadwerkelijk ten koste van werkgeefster heeft verrijkt, dan wel dat zij willens en wetens anderen heeft bevoordeeld ten koste van werkgeefster. Voor het aannemen van een dringende reden is daarom onvoldoende komen vast te staan. Wel is sprake van een vertrouwensbreuk die in overwegende mate aan werkneemster is te wijten. Volgt ontbinding zonder toekenning van een vergoeding.