Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 12 februari 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2261
werknemer/de republiek Brazilië
Werknemer (54 jaar) is vanaf 1 april 1981 tot 1 maart 2009, de laatste jaren als administratief medewerker, in dienstbetrekking werkzaam geweest voor Brazilië. Brazilië heeft werknemer per 18 september 2008 geschorst en hem vervolgens bij brief van 13 oktober 2008 ontslag aangezegd tegen 1 maart 2009. Directe aanleiding voor de schorsing en het ontslag was een incident dat zich op 11 september 2008 op de werkvloer heeft voorgedaan tussen werknemer en enkele vrouwelijke werknemers van Brazilië. Aanleiding was het openen van post (conform werkinstructie) gericht aan werknemer door een van de twee vrouwelijke collega’s. Daarna is een uit de hand gelopen woordenwisseling ontstaan, die door beide vrouwelijke collega’s als intimiderend en agressief is ervaren. De kantonrechter heeft de kennelijk-onredelijkontslagvordering van werknemer afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft zich ernstig misdragen. Brazilië was in verband met het voorval op 11 september 2008 gerechtigd enige disciplinaire maatregel jegens werknemer te treffen. Gezien de overige omstandigheden van het geval, te weten een dienstverband van (bijna) 28 jaar, 54-jarige leeftijd van werknemer, het feit dat werknemer tijdens zijn dienstbetrekking bij Brazilië heeft gewerkt in een omgeving waarin Portugees de voertaal was (en die derhalve een negatieve invloed had op het ontwikkelen van vakmatige kennis en vaardigheid in Nederland), en ten slotte een vlekkeloos dienstverband. Dit alles maakt dat Brazilië werknemer na het incident niet had mogen ontslaan zonder een zekere compensatie. Naar redelijkheid en billijkheid was ten tijde van het ontslag te verwachten dat werknemer uiterlijk binnen anderhalf jaar na het einde van zijn dienstbetrekking elders of op andere wijze inkomen uit arbeid zou kunnen gaan verwerven. In dit verband merkt het hof op dat niet valt in te zien waarom hij genoodzaakt was zich bij zijn inspanningen daartoe te beperken tot een administratieve baan, gelijk hij blijkens de door hem overgelegde documenten kennelijk heeft gedaan. Hoewel zijn arbeidsverleden als chauffeur enigszins gedateerd is, had hij zich kunnen inspannen om bijvoorbeeld daarin opnieuw emplooi te vinden. Uit het voorgaande volgt dat het hof voor enige compensatie over het tijdvak ná de ‘WW-periode’ minder reden ziet. Het hof becijfert het inkomensverlies van werknemer over de in aanmerking te nemen periode derhalve op (2 x 25% van € 2.610,28 + 16 x 30% van € 2.610,28 =) € 13.834 (afgerond). Omdat de oorzaak van het ontslag aan werknemer kan worden toegerekend, vindt een correctie plaats ex artikel 6:101 BW van 50%, ofwel een bedrag van € 6.917.