Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Promac B.V.
Rechtbank Oost-Nederland, 27 februari 2013
ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2738

werknemer/Promac B.V.

Beperking concurrentiebeding in tijd tot de duur van een jaar, te rekenen vanaf de dag dat werknemer zich ziek heeft gemeld en geen werkzaamheden meer heeft verricht. Werknemer wordt in belangrijke mate belemmerd elders in dienst te treden. Toekenning vergoeding naar billijkheid

Werknemer is van 1 mei 1999 tot 1 juni 2012 in dienst geweest van Promac, een bedrijf dat zich bezighoudt met de verkoop van installaties voor de internationale scheepvaart en scheepsbouw. Laatstelijk was werknemer werkzaam als manager afdeling Maritiem MCW en RAM. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding voor de duur van twee jaar opgenomen. Werknemer heeft zich op 7 maart 2012 ziek gemeld en nadien geen werkzaamheden meer verricht. Partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2012 eindigt, waarbij aan werknemer een vergoeding van € 81.000 is toegekend. Thans vordert werknemer vernietiging van het concurrentiebeding ex artikel 7:653 lid 2 BW.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De vraag door wiens toedoen de arbeidsovereenkomst is beëindigd legt, gelet op de totstandkoming van de minnelijke regeling in de ontbindingsprocedure, geen gewicht in de schaal ten aanzien van de onderhavige belangenafweging. Wel wordt meegewogen dat de arbeidsovereenkomst al geruime tijd geleden is geëindigd. Werknemer heeft voldoende gesteld en onderbouwd welke nadelen hij ondervindt van het concurrentiebeding. Promac heeft weliswaar vele stellingen ingenomen ter onderbouwing van het haar te beschermen belang, maar deze zijn slechts heel summier onderbouwd. Gelet op alle belangen is er geen grond voor gehele vernietiging van het beding, maar er is wel aanleiding het beding in tijd te begrenzen. De ingangsdatum van het concurrentiebeding met een looptijd van een jaar moet worden gesteld op 7 maart 2012 (de dag van ziekmelding), zodat het concurrentiebeding vanaf 7 maart 2013 haar werking zal hebben verloren. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding ex artikel 7:653 lid 4 BW wordt overwogen dat gelet op het opleidingsniveau van werknemer, de ruime formulering van het beding, de leeftijd van werknemer en de situatie op de arbeidsmarkt in ruime en enge zin, werknemer in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van Promac werkzaam te zijn. Vaststaat dat werknemer op 1 juli 2012 bij Heila (volgens Promac een concurrent) in dienst kon treden. Het verweer van Promac dat werknemer tal van mogelijkheden heeft elders werkzaam te zijn is onvoldoende feitelijk onderbouwd bezien in het licht van de stellingen van werknemer en de onderbouwing ervan. Een vergoeding is in dit geval op haar plaats. Het gaat hier niet om een schadevergoeding, maar om een vergoeding naar billijkheid. Een vergoeding van ongeveer 30% van het brutoloon zonder emolumenten over de periode 1 juli 2012 tot 7 maart 2013 wordt billijk geacht. De vergoeding wordt gebaseerd op het brutoloon waarop werknemer recht had toen hij laatstelijk in dienst was bij Promac en wordt vastgesteld op € 13.750 bruto.