Naar boven ↑

Rechtspraak

Bruscom B.V./werknemer
Hoge Raad, 26 april 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ8766

Bruscom B.V./werknemer

Procesrecht. Werkgever heeft geen recht op nadere bewijslevering nadat diens stellingen op voorhand bewezen zijn geacht en werkgever geen gebruik heeft gemaakt van contra-enquête

Werknemer was vanaf 1 juli 1996 directeur van Datelnet Conversie B.V. (hierna: Datelnet Conversie), een indirecte dochter van Bruscom. In verband met een voorgenomen beursgang is werknemer verzocht zijn optierechten niet uit te oefenen. Bruscom en werknemer hebben op 6 januari 2000 een overeenkomst gesloten, die onder meer inhoudt dat werknemer tegen een vergoeding van NLG 3.850.000 zijn optierechten niet zal uitoefenen. Aan de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Datelnet Conversie is in het najaar van 2000 een einde gekomen. Bruscom hield werknemer toen onder meer verantwoordelijk voor malversaties met betrekking tot de PAS-voortgangsformulieren, waardoor vanaf week 40 in 1999 een aanzienlijk hogere productie was ingevuld dan strookte met de voortgang van de werkzaamheden van Datelnet Conversie voor Edon. Datelnet heeft onder meer vernietiging van de overeenkomst van 6 januari 2000 gevorderd wegens dwaling. De kantonrechter en het hof hebben de vordering afgewezen. In cassatie klaagt Datelnet dat zij ten onrechte niet in staat is gesteld nader bewijs te leveren, nadat de rechter op voorhand de stellingen van Datelnet bewezen achtte en daarna werknemer in staat stelde tegenbewijs te leveren.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de rechter een door een partij aan haar vordering of verweer ten grondslag gelegd feitencomplex voorshands bewezen acht, de wederpartij in de gelegenheid is gesteld tot het leveren van tegenbewijs ter zake van dat(zelfde) feitencomplex, in dat kader een getuigenverhoor heeft plaatsgevonden en de partij wier stellingen voorshands door de rechter bewezen zijn geacht, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in contra-enquête nader bewijs van de voorshands bewezen geachte feiten te leveren. In een dergelijk geval is de partij wier stellingen voorshands door de rechter bewezen zijn geacht, in staat geweest haar aanspraak op nadere bewijslevering ten aanzien van het betrokken feitencomplex te verwezenlijken. Heeft zij van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, dan behoeft de rechter haar niet meer tot bewijslevering toe te laten ter zake van dat feitencomplex naar aanleiding van een bewijsaanbod dat voorafgaand aan de bewijslevering is gedaan. Dat geldt ook als zij na het getuigenverhoor opnieuw bewijs aanbiedt met betrekking tot dat feitencomplex of verzoekt om te worden toegelaten tot nadere bewijslevering voor het geval de rechter haar wederpartij geslaagd acht in het ontzenuwen van het voorshands gegeven bewijsoordeel. Opmerking verdient nog dat het voorgaande anders kan zijn als het nadere bewijsaanbod betrekking heeft op nieuw bewijsmateriaal of nieuwe feiten, en dat het vorenstaande slechts geldt binnen dezelfde instantie. Indien bewijslevering in eerste aanleg heeft plaatsgevonden en in hoger beroep opnieuw of alsnog bewijs wordt aangeboden van het betrokken feitencomplex, prevaleert de herkansingsfunctie van het hoger beroep.