Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster c.s.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 mei 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9703

werkneemster/werkgeefster c.s.

Het ontbreken van een deugdelijke vakantieverlofadministratie betekent niet dat de opgaaf van werknemer automatisch juist is

Werkneemster is op 1 december 2009 in dienst getreden van de kapsalon, op basis van een arbeidsovereenkomst beroepsbegeleide leerweg/praktijkovereenkomst met ROC de Friese Poort. Na ommekomst van deze termijn (zes maanden) is tussen partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, voor de duur van twaalf maanden, wederom voor de functie van assistent. Ten tijde van het aangaan van die aansluitende overeenkomst was de schoolopleiding van werkneemster, in verband met herexamens, nog niet afgerond. Zij werd feitelijk uitbetaald naar de cao-functie van salonassistent. Werkneemster is van 11 februari 2011 tot 13 april 2011 arbeidsongeschikt geweest. De arbeidsovereenkomst is op 31 mei 2011 geëindigd wegens het verstrijken van de tijd waarvoor zij was aangegaan. Werkneemster vordert thans loon wegens onjuiste inschaling en niet-uitbetaalde vakantiedagen.

Het hof oordeelt als volgt. Werkneemster heeft onvoldoende gesteld om een hogere inschaling te rechtvaardigen. Het hof wijst erop dat het functiehuis van de cao begint met de functie juniorstylist voor diegene die de BBL-leergang volgt, en zulks voor de duur van twee jaar. Werkneemster viel onder deze doelgroep en heeft op 1 oktober 2009 een zodanig contract aangeboden gekregen. Conform de cao mocht zij twee jaar in deze functie werkzaam zijn. In haar tweede jaar is zij feitelijk als salonassistent – waarvoor een hogere schaal geldt dan voor juniorstylist – ingeschaald geweest. Gelet op het gemotiveerde verweer van de kapsalon heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij nadat zij haar diploma in de herkansing had behaald, feitelijk voldeed aan alle functie-eisen voor de functie hairstylist.

Met betrekking tot de vermeende openstaande vakantiedagen, doet werkneemster een beroep op HR 12 september 2003, LJN AF8560, stellende dat bij een ondeugdelijke administratie van de werkgever haar berekening gevolgd dient te worden. Het hof overweegt dat de conclusies die werkneemster uit genoemd arrest trekt, niet juist zijn. De bewijslast ter zake van niet opgenomen vakantieuren berust bij werkneemster, doch de kapsalon dient als werkgever een overzicht van de vakantieboekhouding in het geding te brengen. Ingeval de werkgever dat laatste niet kan, zo volgt uit genoemd arrest, betekent dat nu juist niet dat automatisch van de juistheid van de opgaaf van de werknemer moet worden uitgegaan. Uit de urenregistratie leidt het hof vervolgens af dat werkneemster recht heeft op uitbetaling van 78 uur vakantieverlof.