Rechtspraak
X c.s./werkgever
X is op 1 januari 1999 in dienst getreden van werkgever. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van directeur/procuratiehouder. In zijn arbeidsovereenkomst is in artikel 9 de volgende bepaling opgenomen: ‘Werknemer verbindt zich zijn gehele arbeidskracht ter beschikking van de vennootschap te stellen en gedurende de dienstbetrekking zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vennootschap voor geen andere werkgevers werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect, en zich te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. De vennootschap zal deze toestemming niet op onredelijke gronden mogen weigeren.’ Y is de echtgenoot van X. Zij is in 2007 in dienst getreden als officemanager. X en Y zijn op staande voet ontslagen, onder meer wegens het in strijd handelen met artikel 9 uit de arbeidsovereenkomst door X en het oprichten van de concurrerende onderneming Q. Bovendien vinden er af en toe zakelijke transacties plaats tussen werkgever en Q, waardoor sprake is van belangenverstrengeling. X en Y beroepen zich thans op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het in strijd handelen met het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is dusdanig ernstig dat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW. X had werkgever op de hoogte moeten stellen van zijn (financiële) betrokkenheid bij Q. Terecht heeft werkgever in dat verband bijvoorbeeld gewezen op het tegengesteld belang van X in de commerciële relatie tussen werkgever en Q. Omdat, als van een door de werkgever als ‘dringende reden’ voor ontslag aan de werknemer medegedeeld feitencomplex, na betwisting door de werknemer, slechts een gedeelte in rechte komt vast te staan, het ontslag niettemin zal kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden indien (a) het vorenbedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, (b) de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden zou hebben ontslagen en (c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval duidelijk moet zijn geweest (HR 1 september 2006, JAR 2006/228), acht de kantonrechter het in dit stadium niet opportuun een voorlopig oordeel te geven met betrekking tot de andere in de brief van 14 februari 2013 genoemde redenen. Uit de brief blijkt duidelijk dat een overtreding van het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst voor werkgever mede de reden was voor het ontslag op staande voet. De vorderingen van X worden afgewezen.
Ten aanzien van de vorderingen van Y wordt vooropgesteld dat een werknemer zijn werkgever geen concurrentie mag aandoen. Dat is in strijd met goed werknemerschap. De sanctie die de werkgever daartegenover kan stellen, zal afhangen van de mate waarin concurrerende activiteiten door de werknemer worden verricht (zie ook Ktr. Rotterdam 10 juli 1996, KG 1996, 357). ‘Harde’, rechtstreeks confronterende concurrentie zal doorgaans een dringende reden opleveren, terwijl ‘zachte’ concurrentie een reden kan zijn om de arbeidsovereenkomst op een regelmatige wijze te beëindigen. Een ontslag op staande voet zal in een geval van ‘zachte’ concurrentie doorgaans een te zwaar middel zijn. Naar voorlopig oordeel heeft werkgever in deze procedure nog op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat Y zich schuldig heeft gemaakt aan harde of zachte concurrentie. Voorshands wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet van Y niet rechtsgeldig is.