Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Hoge Raad, 31 mei 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ5355
Met annotatie door mr. dr. L. van den Berg

werknemer/werkgever

Artikel 7:618 BW strekt niet tot helen van een gebrek aan wilsovereenstemming over het element loon van artikel 7:610 BW. Geen sprake van rompovereenkomst

Eiser en verweerster zijn eind oktober 2008 in onderhandeling getreden over het aangaan van een arbeidsovereenkomst en een participatie van eiser in de aandelen in verweerster. Deze aandelen waren in handen van betrokkene 1 en zijn zoon betrokkene 2. Eiser was op dat moment werkzaam voor X BV. De arbeidsovereenkomst met X BV is per 1 februari geëindigd. Op 28 januari 2009 heeft betrokkene 2 een stuk getiteld Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij eiser thuis bezorgd. Daarin staat onder meer dat eiser met ingang van 1 februari 2009 voor onbepaalde duur bij verweerster in dienst treedt in de functie van directeur en dat een proeftijd geldt van twee maanden. In artikel 4 is het bedrag van het salaris niet ingevuld (‘€…’). De accountant van verweerster heeft eiser op 30 januari 2009 telefonisch laten weten dat betrokkene 1 meer tijd nodig had en het definitieve besluit over de samenwerking opschortte. Op 4 februari 2009 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgehad waarbij verweerster heeft meegedeeld dat zij de relatie met eiser niet wilde voortzetten. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en vordert nakoming. Verweerder stelt zich op het standpunt dat partijen geen overeenstemmiıng hadden over het loon, zodat van een arbeidsovereenkomst geen sprake kan zijn. Eiser stelt zich op het standpunt dat in dat geval artikel 7:618 BW de hoogte van het loon bepaalt.

De A-G concludeert als volgt. Het debat in cassatie spitst zich toe op de verhouding tussen artikel 7:610 lid 1 BW (en artikel 6:227 BW) enerzijds en artikel 7:618 BW anderzijds. Artikel 7:618 BW bepaalt dat, indien geen loon is vastgesteld, de werknemer aanspraak heeft op het loon dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor arbeid als de overeengekomene gebruikelijk was of, bij gebreke van een dergelijke maatstaf, op een loon dat met inachtneming van de omstandigheden van het geval naar billijkheid wordt bepaald. Artikel 7:618 BW vooronderstelt het bestaan van een arbeidsovereenkomst waarbij geen loon is vastgesteld. Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is wél vereist dat partijen zijn overeengekomen dat de werknemer de bedongen arbeid in dienst van de werkgever zal verrichten en dat hij dat zal doen tegen loon. Dat partijen een op een bindende overeenkomst gerichte wilsovereenstemming over die elementen hebben bereikt zonder het over de hoogte van het loon eens te zijn geworden, zal zich echter niet licht voordoen. De vraag of partijen hebben bedoeld zich ondanks het ontbreken van een vaststelling van de hoogte van het loon te binden, moet verschillend worden beoordeeld, al naar gelang zich het geval voordoet dat partijen zich niet om het loon hebben ‘bekommerd’ (de term is ontleend aan de parlementaire geschiedenis van het hierna te bespreken artikel 7:4 BW), dan wel daarover hebben onderhandeld, maar geen overeenstemming hebben bereikt. De situatie waarin partijen het erover eens zijn dat het ontbreken van een vaststelling van het loon niet eraan in de weg staat dat tussen hen een arbeidsovereenkomst tot stand komt, verschilt wezenlijk van de situatie waarin partijen over de hoogte van het loon hebben onderhandeld, maar daarover (nog) geen overeenstemming hebben bereikt. Voor die laatste situatie is artikel 7:618 BW niet geschreven; de bepaling strekt niet tot het helen van een gebrek aan wilsovereenstemming, maar tot het voorzien in een lacune die een wél tussen partijen bereikte wilsovereenstemming laat.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.