Rechtspraak
werknemer/Mediabrands Netherlands B.V.
Werknemer is sinds 1 juli 1996 in dienst bij (thans) Mediabrands. Enig aandeelhouder van Mediabrands is IPG Nederland B.V. Werknemer is per 8 oktober 2007 benoemd tot bestuurder daarvan. Werknemer heeft sinds 1995 een hartprobleem. In 2010 is hij op de wachtlijst geplaatst voor een donorhart. Ingaande 12 september 2011 heeft werknemer (betaald) verlof genoten. In december 2011/januari 2012 heeft werknemer een steunhart gekregen. Werknemer heeft in februari 2012 de werkzaamheden op advies van de bedrijfsarts deels hervat. In maart 2012 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat werknemer volledig arbeidsgeschikt is. Op enig moment is de arbeidsrelatie ernstig verstoord geraakt. In juni 2012 stelt de bedrijfsarts vast dat werknemer volledig arbeidsongeschikt is. In een re-integratieverslag betreffende werknemer van 26 juni 2012 is vermeld dat de ziekmelding van werknemer formeel pas op 21 juni 2012 aan de arbodienst is doorgegeven. Thans is tussen partijen in geschil welke dag als eerste ziektedag moet worden aangemerkt, wat de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting is en of Mediabrands verplicht is tot re-integratie in het eerste spoor.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Anders dan werknemer heeft betoogd, is voor het oordeel wat als eerste ziektedag moet worden beschouwd niet van doorslaggevende betekenis op welke dag de werkgever de werknemer formeel heeft ziek gemeld bij de arbodienst en/of het UWV. Met name medische gegevens kunnen aanleiding zijn om een andere dag als eerste ziektedag aan te merken. Als het betaalde verlof van meet af aan als ziekteverlof beschouwd had moeten worden, had het op de weg van Mediabrands gelegen daarover volstrekte duidelijkheid te verschaffen aan werknemer, mede gelet op de (arbeidsrechtelijke) consequenties daarvan. Hoewel voor een eerder gelegen datum (vanwege de ziekenhuisopnames) ook aanknopingspunten te vinden zijn, wordt in dit kort geding 19 april 2012 als eerste ziektedag aangehouden. Deze datum lijkt in de specifieke omstandigheden van dit geval het meest reële uitgangspunt tegen de achtergrond van de wederzijdse standpunten van partijen en de thans beschikbare medische gegevens. Op grond van de geldende arbeidsvoorwaarden is de loondoorbetalingsverplichting na 19 april 2013 beperkt tot 70% van het loon.
Voorts verwijt werknemer Mediabrands dat niet aan de re-integratieverplichtingen wordt voldaan. Hoewel aan werknemer kan worden toegegeven dat de regels ter zake van (begeleiding bij) ziekte van werknemers en verplichtingen van de werkgever in het kader van re-integratie na arbeidsongeschiktheid in beginsel ook gelden voor de statutair directeur, moet bij de beoordeling of re-integratie bij de eigen onderneming een haalbare kaart is, de bijzondere aard van diens positie niet uit het oog worden verloren. Los van de vraag aan wie dat eventueel te verwijten valt, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate vast dat de aandeelhouder van Mediabrands het vertrouwen in werknemer als statutair directeur heeft verloren. Tengevolge daarvan is hij inmiddels (op 29 november 2012) als bestuurder geschorst. Er is sprake van een ernstig arbeidsconflict. Dit conflict staat los van de ziekte. Niet aannemelijk is dat er binnen Mediabrands mogelijkheden zijn voor re-integratie in het eerste spoor, zodat op het tweede spoor zal moeten worden ingezet.