Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 20 februari 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:1179
werknemer/Forbo Siegling GmbH
Tussen X en Forbo – een producent van transportbanden, aandrijfriemen, gereedschappen en toebehoren voor deze producten – is vanaf 1 mei 2008 voor de duur van twee jaar een schriftelijke overeenkomst gesloten op grond waarvan X werkzaamheden zal verrichten voor Forbo. De overeenkomst is twee keer verlengd. Onderdeel van de overeenkomst is een provisieregeling. Forbo heeft de samenwerking met ingang van 1 januari 2012 beëindigd. Thans is in geschil of X werkzaam is (geweest) op basis van een arbeidsovereenkomst. X beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. Hij stelt dat hij werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het beroep op het rechtsvermoeden faalt. Genoegzaam gebleken is dat beide partijen bij aanvang van de samenwerking geen arbeidsverhouding voor ogen heeft gestaan. X heeft dit met zoveel woorden ook aangegeven in de door hem ter zitting afgelegde verklaringen en in de overgelegde pleitnota. Het ontbreken van deze intentie blijkt daarenboven uit de tekst van het door X opgestelde businessvoorstel, en uit de aanhef van de schriftelijke overeenkomst, welke aanhef volgens X vrij vertaald luidt: ‘Consultantovereenkomst’. Een omzetting in een arbeidsovereenkomst kan slechts worden aangenomen indien het voor beide partijen gelet op de wijze van uitvoering voldoende duidelijk is geweest dat de overeenkomst vanaf een voldoende bepaalbaar moment een arbeidsovereenkomst is (vgl. HR 28 juni 1996, NJ 1996, 153). X heeft hiertoe – met name – gewezen op de wijze van beloning en van vergoeding van kosten, waarbij Forbo het ondernemingsrisico van X gaandeweg op zich zou hebben genomen, en op de geheimhoudingverplichting voor X en het op hem rustende verbod om voor derden werkzaam te zijn. Deze wijze van uitvoering laat echter de mogelijkheid van het bestaan van een andersoortige overeenkomst onverlet en wijst dus niet noodzakelijkerwijs op het bestaan van of de omzetting in een arbeidsovereenkomst. Daarbij wordt tot slot meegewogen dat X gedurende de looptijd van de overeenkomst heeft volhard in het sturen van facturen aan Forbo voor de betaling van zijn werkzaamheden en hij pas na de feitelijke beëindiging van de samenwerking door Forbo aanspraak heeft gemaakt op betaling van vakantiegeld en afdracht van werkgeversbijdragen op grond van socialeverzekeringswetten. Volgt afwijzing van de vordering.