Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:6650
werkneemster/Curator van Stichting X
Werkneemster is op 1 mei 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als directeur bij de stichting in dienst getreden. Op 13 juli 2011 heeft de stichting haar op staande voet ontslagen wegens een volgens de stichting bestaande dringende reden, te weten dat werkneemster de raad van toezicht van de stichting onjuiste informatie heeft verstrekt en haar verplichtingen en verantwoordelijkheden als directeur grovelijk heeft geschonden, althans niet is nagekomen. Werkneemster heeft zich tegen dit ontslag verweerd. In september 2011 heeft de rechter in kort geding haar vordering afgewezen. Bij beschikking van 1 december 2011 heeft de rechtbank het faillissement van de stichting uitgesproken. De centrale vraag tussen partijen is of de vordering van werkneemster thans valt onder artikel 25 of 26 Fw. De curator heeft primair betoogd dat de vordering van werkneemster valt onder het bereik van artikel 26 Fw. De vordering van werkneemster heeft (indirect) voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel, zodat deze ter verificatie moet worden ingediend, aldus de curator. Werkneemster heeft zich op het standpunt gesteld dat haar vordering als een vordering in de zin van artikel 25 lid 1 Fw moet worden aangemerkt. De vordering heeft niet de strekking een uitkering uit de boedel te bewerkstelligen, maar strekt tot herstel van haar eer en goede naam en is erop gericht een inhoudelijk oordeel over het aan haar gegeven ontslag op staande voet te verkrijgen, aldus werkneemster. Een nietigverklaring of vernietiging van het ontslag zal weliswaar tot betaling van een loonvordering kunnen leiden, maar dit betekent volgens werkneemster niet dat ook de vordering tot nietigverklaring of vernietiging onder de werking van artikel 26 Fw valt.
Het hof oordeelt als volgt. Blijkens het voorgaande is bij de totstandkoming van de artikelen 25 lid 1 Fw en 26 Fw onder ogen gezien dat bijna alle rechtsvorderingen uiteindelijk uitmonden in een rechtsvordering tot betaling van een geldsom, maar is er desondanks niet voor gekozen alle rechtsvorderingen aan de verificatie- en renvooiprocedure te onderwerpen. Indien sprake is van een vordering die niet primair is gericht op de verkrijging van een geldsom, kan volgens de wetgever van de rechthebbende niet steeds worden verwacht dat hij genoegen neemt met een ter verificatie in te dienen geldvordering. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam komen vast te staan dat de vordering van werkneemster niet is gericht op de verkrijging van een geldsom. De vordering strekt tot vernietiging van het ontslag en valt daarom – anders dan de mogelijk daaruit voortvloeiende loonvordering – niet onder het bereik van artikel 26 Fw. Het hof voegt daar nog aan toe dat het ontslag op staande voet een ingrijpend middel is dat slechts bij objectieve, subjectieve en onverwijld aan de werknemer meegedeelde dringende redenen door de werkgever kan worden toegepast. Ook indien, zoals de curator heeft gesteld, niet zou zijn bewezen dat het ontslag van werkneemster in de media breed is uitgemeten en dat werkneemster ten gevolge daarvan geen nieuwe baan heeft gevonden, heeft werkneemster tot herstel van haar eer en goede naam er belang bij het ontslag ter beoordeling aan een rechter voor te leggen. Het belang van een efficiënte en doelmatige afwikkeling van het faillissement van de stichting staat daaraan in dit geval niet in de weg. Dat werkneemster haar vordering slechts ter omzeiling van de procedure van artikel 26 Fw als verklaring voor recht heeft ingediend, kan gelet op haar belang bij de vordering niet worden aangenomen. De primaire stelling van de curator dat de rechtsvordering van werkneemster onder het bereik van artikel 26 Fw valt, wordt daarom verworpen.