Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting X, katholieke scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 13 augustus 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:5998

werknemer/Stichting X, katholieke scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs

Docent op staande voet ontslagen wegens ongewenste aanrakingen met aan hem toevertrouwde jonge meisjes

Werknemer is een docent die – kort samengevat – ontslag op staande voet heeft gekregen van de katholieke scholengemeenschap wegens grensoverschrijdend gedrag naar leerlingen (verschillende leerlingen hadden geklaagd om ongewenste omhelzingen, aanrakingen en eng gedrag). Werknemer vordert gefixeerde schadevergoeding en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag nu volgens hem het ontslag op staande voet geen stand houdt.

Het hof oordeelt als volgt. De toetsing of het ontslag al dan niet terecht is gegeven kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van hetgeen feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. Verder dient de opzegging onverwijld na het ontdekken van de als dringende reden te beschouwen handeling plaats te vinden, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Daarbij fixeert de medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden. Er kan sprake zijn van een geldig ontslag op staande voet als van de aangevoerde dringende reden slechts een gedeelte komt vast te staan, maar dan moet het vaststaande gedeelte op zichzelf beschouwd een dringende reden zijn en moet de werkgever hebben gesteld en moet ook aannemelijk zijn dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen en moet dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval duidelijk zijn geweest. Naar het oordeel van het hof leveren de vaststaande feiten in de gegeven omstandigheden een dringende reden op als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. De stichting heeft gesteld en ook aannemelijk is, dat de dringende reden voor hem werd gevormd door klachten van leerlingen over ongewenste aanrakingen door werknemer in samenhang met de brief van 29 mei 2006, de berisping van oktober 2009 en het begeleidingstraject. Naar het oordeel van het hof moet dit werknemer in het licht van de gehele inhoud van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval, in het bijzonder de voorgeschiedenis – de brief van 21 januari 2010 vermeldt ‘waarschuwingen en een formele berisping’ – duidelijk zijn geweest. Het hof neemt in aanmerking dat tussen werknemer als leraar en de aan hem toevertrouwde leerlingen – jonge, opgroeiende meisjes die, naar ook eerder was gebleken, geen prijs stelden op aanrakingen van werknemer – geen sprake was van een gelijkwaardige relatie. Afweging van de (lange) duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van werknemer tegen de aard en de ernst van het hiervoor bedoelde aan het ontslag ten grondslag gelegde feitencomplex leiden tot de slotsom dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Het voorgaande brengt mee dat het ontslag op staande voet van werknemer aan alle vereisten voldoet. Dat betekent dat dit ontslag, anders dan werknemer heeft betoogd, niet kennelijk onredelijk kan zijn.