Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Sligro Food Group Nederland B.V.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 18 juli 2013
ECLI:NL:RBOBR:2013:4940

werknemer/Sligro Food Group Nederland B.V.

Uitleg afspraken over prepensioen. De weigering om het werknemersdeel van de basispensioenpremie op de maandelijkse levensloopuitkeringen in te houden is in strijd met goed werkgeverschap

Werknemer is in 1989 in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) Sligro in de functie van hoofd administratie. Een basispensioenregeling wordt uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds Sligro Food Group. In 2007 hebben partijen afspraken gemaakt over de wens van werknemer om op 59-jarige leeftijd, meer in het bijzonder op 1 april 2009, vervroegd te stoppen met werken. Werknemer is met ingang van 1 april 2009 gebruik gaan maken van de levensloopregeling. Zijn actieve dienstverband bij Sligro is toen beëindigd. Dit hield in dat werknemer nog wel formeel in dienst was bij Sligro, maar geen werkzaamheden meer verrichtte en geen salaris meer ontving. Wel ontving hij via Sligro een maandelijkse uitkering uit het door hem opgebouwde levensloopfonds. Op deze maandelijkse betalingen werd tot 1 november 2012 een werknemersdeel pensioenregeling ingehouden. Daarnaast heeft Sligro tot 1 november 2012 maandelijks het werkgeversdeel basispensioenregeling betaald. Tussen partijen is in geschil of zij met elkaar hebben afgesproken, dan wel of werknemer ervan uit had mogen gaan, dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de opbouw van het basispensioen ten behoeve van werknemer zou doorlopen tot zijn 65e jaar.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De afspraken tussen partijen dienen te worden uitgelegd conform de Haviltex-norm. In de pensioenberekening in 2007 is een fout gemaakt. Met ingang van een maand na aanvang van de levensloopuitkering wordt, zo is althans de hoofdregel, immers geen basispensioen meer opgebouwd. Ondanks deze fout mocht werknemer er niet op vertrouwen dat hij tot aan datum pensionering, dan wel gedurende de gehele levensloopperiode nog basispensioenrechten zou opbouwen. Van belang is onder meer dat partijen bij de uiteindelijk gemaakte afspraken zijn afgeweken van de uitgangspunten die bij de berekening werden gehanteerd. In de berekening wordt er immers van uitgegaan dat tot 2015 van de levensloopregeling gebruik zal worden gemaakt, terwijl dit nadien 2012 is geworden.

In 2009 hebben partijen een afwijkende afspraak gemaakt. Deze afspraak houdt in dat op de levensloopuitkeringen van werknemer in ieder geval de werknemerspremie voor de basisregeling zou worden ingehouden. Dat een dergelijke afspraak ook is gemaakt voor wat betreft het werkgeversdeel volgt niet uit de stellingen van partijen. Dat Sligro desondanks het werkgeversdeel van de basispensioenpremie ook heeft betaald, maakt dat niet anders. Gebleken is dat werknemer (kennelijk eenzijdig) heeft besloten de levensloopperiode te verlengen. Sligro heeft niet aangevoerd dat en op grond waarvan het voor haar bezwaarlijk zou zijn om ook tijdens de verlenging van de levensloopregeling het werknemersgedeelte te blijven inhouden. De kantonrechter gaat er, nu een nadere toelichting dat dit anders zou zijn ontbreekt, van uit dat het inhouden van het werknemersdeel basispensioenpremie op kosten van werknemer zal plaatsvinden en dat Sligro hier, behoudens wellicht een geringe administratieve inspanning, geen nadeel van zal ondervinden. Het is dan ook niet redelijk en in strijd met een goed werkgeverschap als Sligro zou weigeren het werknemersdeel van de basispensioenregeling op de voortgezette levensloopuitkeringen van werknemer in te houden. Nu Sligro dit vanaf 1 november 2012 weigert te doen, zal de vordering, voor zover deze ziet op inhouding van het werknemersdeel van de basispensioenpremie op de maandelijkse levensloopuitkeringen, worden toegewezen. Voor wat betreft het werkgeversdeel is echter niet gebleken dat een in rechte afdwingbare verplichting bestaat voor Sligro om harerzijds aan een verdere opbouw van het basispensioen bij te dragen.