Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting WSG/werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 9 oktober 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:7329

Stichting WSG/werknemer

Statutair bestuurder woningcorporatie kan na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst waarin finale kwijting is overeengekomen niet aansprakelijk gesteld worden voor schade als gevolg van het nemen van onverantwoorde strategische beslissingen. Beroep op dwaling bij sluiten vaststellingsovereenkomst faalt

Werknemer is als directeur-bestuurder in dienst geweest van WSG, een woningcorporatie. Toezichthouder CFV heeft onder meer geconstateerd dat WSG een buitenproportionele projectenportefeuille in relatie tot haar omvang heeft. Werknemer is uit zijn functie ontheven, onder meer omdat gebleken is dat hij zich niet hield aan de in het plan van aanpak gestelde doelen en de door het CFV gedane aanbevelingen. Partijen hebben op 18 april 2011 een beëindigingovereenkomst gesloten, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst is beëindigd per 1 mei 2011. Aan werknemer is, naast een vergoeding van € 67.218 ter overbrugging van de fictieve opzegtermijn, een vergoeding van € 195.000 toegekend. Ook zijn partijen finale kwijting overeengekomen. WSG heeft de beëindigingsovereenkomst partieel vernietigd op grond van artikel 3:44 BW voor wat betreft de beëindigingsvergoeding, de afkoopsom van vakantiedagen en compensatie van pensioen. Gesteld wordt dat uit onderzoek is gebleken dat werknemer zijn taak als statutair bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Thans stelt WSG werknemer primair aansprakelijk op grond van artikel 7:661 BW, subsidiair op grond van artikel 2:9 BW. Zij voert daartoe aan dat werknemer onverantwoorde strategische beslissingen heeft genomen (en de regelingen en codes van WSG heeft overtreden) die WSG aanzienlijke schade hebben berokkend. In reconventie stelt werknemer dat WSG onrechtmatig heeft gehandeld. Hij vordert schadevergoeding wegens onrechtmatige beslaglegging en onrechtmatige publicaties en uitlatingen. Subsidiair vordert hij nakoming van de beëindigingsovereenkomst.

De rechtbank oordeelt als volgt. Hoewel WSG verwijst naar artikel 3:44 BW, begrijpt de rechtbank dat zij doelt op artikel 6:228 BW. Zij beroept zich immers op dwaling. Van belang is dat partijen een vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen. Met deze overeenkomst hebben partijen beoogd een einde te maken aan een aantal onzekerheden in hun rechtsverhouding. Een van deze onzekerheden was het resultaat van het onderzoek door PWC waartoe WSG al voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst opdracht had gegeven. Het beroep op dwaling faalt. Het enkele feit dat WSG, naar zij stelt, ervan uitging dat de onregelmatigheden een beperktere omvang hadden dan achteraf uit het onderzoek is gebleken, is onvoldoende om een beroep op dwaling te rechtvaardigen. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk overeengekomen dat het resultaat van het onderzoek alleen gevolgen heeft voor de uitbetaling van de tweede tranche van de beëindigingsvergoeding. WSG kan daarnaast geen schadevergoeding meer vorderen, ook niet wanneer dit handelen zou kunnen worden gekwalificeerd als onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW. De vorderingen in conventie worden afgewezen.

Met betrekking tot de in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat WSG onrechtmatig heeft gehandeld door uitlatingen in de media en de beslaglegging, wordt geoordeeld dat WSG bij haar commentaar en bij de toelichting op haar jaarrekening over 2010 niet de grens van het betamelijke heeft overschreden en zij daarbij voldoende terughoudend is geweest. Hoewel er geen grond was voor beslaglegging, is in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat werknemer hierdoor schade heeft geleden, zodat daarvoor ook geen verwijzing naar de schadestaatprocedure kan volgen.

De beëindigingsovereenkomst voorziet in een betaling van € 65.000 onder de voorwaarde dat werknemer zijn functie als en goed een integer directeur-bestuurder heeft vervuld. Partijen hebben met betrekking tot dit deel van de vergoeding een eigen criterium geformuleerd, dat afwijkt van de op basis van artikel 2:9 BW aan te leggen maatstaf voor de beoordeling van eventuele aansprakelijkheid van de bestuurder. Uit de stukken blijkt in ieder geval dat in een transactie tussen WSG en de zoon van werknemer grond om niet is overgedragen. Hiermee is in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling gewekt, zodat de vordering tot betaling van € 65.000 wordt afgewezen. De onvoorwaardelijk overeengekomen vergoedingen (€ 67.218 en € 130.000) worden toegewezen.