Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 9 oktober 2013
ECLI:NL:RBLIM:2013:7662

werkneemster/werkgever

Geen misbruik van omstandigheden bij sluiten arbeidsovereenkomst. Opzegging na proeftijd. Toewijzing loonvordering. Beroep op rechtsvermoeden artikel 7:610b BW faalt, omdat de arbeidsovereenkomst nog geen drie maanden heeft geduurd

Werkneemster is sinds 3 april 2012 in dienst getreden van een VOF in de functie van servicebediende. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een halfjaar en bevat een proeftijd van twee maanden. Werkneemster stelt dat sprake is van misbruik van omstandigheden bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst (zij is onder druk gezet de arbeidsovereenkomst te ondertekenen) en dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft. Bij brief van 2 juni 2012 heeft de VOF de arbeidsovereenkomst opgezegd. Werkneemster stelt dat de opzegging geen doel treft, omdat is opgezegd na het verstrijken van de proeftijd. Thans vordert zij loonbetaling vanaf 3 juni 2012. Werkneemster stelt met een beroep op artikel 7:610b BW dat zij feitelijk steeds 30 uur per week heeft gewerkt in plaats van de overeengekomen 12 uur per week.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft nagelaten nader toe te lichten dat is afgesproken dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is afgesproken. Zij heeft van deze stelling ook geen bewijs aangeboden. Derhalve staat vast dat partijen reeds bij aanvang van haar arbeidsrelatie overeengekomen zijn dat deze na ommekomst van een termijn van zes maanden van rechtswege eindigt op 3 oktober 2012. De schriftelijke overeenkomst levert als onderhandse akte dwingend bewijs op omtrent hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst afgesproken hebben. Op het moment van ontvangst van de opzeggingsbrief was de proeftijd reeds verstreken, zodat die opzegging geen effect gesorteerd heeft. Het staat derhalve vast dat de arbeidsovereenkomst nadien is voortgezet. De loonvordering tot 3 oktober 2012 wordt toegewezen, omdat het niet werken voor risico van de VOF komt. Een aanbod tot het verrichten van arbeid zou niet zinvol zijn geweest, omdat de VOF (zelfs nog bij antwoord) het standpunt inneemt dat de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd is opgezegd. Bovendien was de VOF ontevreden over het functioneren van werkneemster en is zij niet meer ingeroosterd. Het beroep van werkneemster op artikel 7:610b BW faalt, omdat de arbeidsovereenkomst op 3 juni nog geen drie maanden heeft geduurd. Er wordt ten aanzien van de loonvordering derhalve uitgegaan van de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen 12 uur per week.