Rechtspraak
werkgever/werknemer
Werknemer is sinds november 2005 werkzaam bij het advocatenkantoor X. Met ingang van 1 oktober 2006 treedt werknemer voor 40 uur in dienst bij werkgever voor bepaalde tijd en wel voor de duur van de opleiding als advocaat-stagiaire. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is het volgende studiekostenbeding opgenomen: Werkgever zal de opleidingskosten onder meer verbonden aan de stage (incl. VSO-cursussen) voor haar rekening nemen. In het geval de dienstbetrekking door werknemer of aan hem te wijten redenen tijdens de stage of binnen een jaar na het verkrijgen van de stageverklaring wordt beëindigd, zullen deze kosten 100% door de werknemer terugbetaald dienen te worden en in het geval het dienstverband tussen een en twee jaar na de stageverklaring om genoemde redenen wordt beëindigd, bedraagt het percentage 50%. Na twee jaar na de stageverklaring is werknemer geen vergoeding meer verschuldigd. Op 20 december 2009 heeft werknemer de advocaat-stageverklaring ontvangen. Op 27 december 2009 bericht werknemer dat hij niet als advocaat aan het kantoor van werkgever wenst te blijven verbonden. Partijen komen vervolgens (weer) een tijdelijke arbeidsovereenkomst overeen voor de duur van een maand. Werkgever verrekent vervolgens de loonkosten en bonussen met de studiekosten. Daartoe voert de werkgever aan dat de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 7:668a BW inmiddels is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat werknemer ontslag heeft genomen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat dit niet is toegestaan. De kantonrechter oordeelde dat in dit geval werkgever geen beroep mag doen op artikel 7:668a BW. Het hof oordeelde anders en bepaalde dat de uitleg van het studiekostenbeding met zich brengt dat het alleen zou gelden indien na de stageverklaring werknemer een (tijdig) aanbod zou krijgen advocaat-medewerker te worden. Dit aanbod is evenwel uitgebleven zodat niet gezegd kan worden dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld.
De advocaat-generaal (Van Peursem) concludeert als volgt. De A-G vangt aan met enkele inleidende opmerkingen over studiekostenbedingen (in ruime en enge zin). Volgens de A-G zou de rechtspraak gebaat zijn bij een richtinggevend arrest van de Hoge Raad over de vraag of Muller/Van Opzeeland ook van toepassing is op studiekostenbedingen in enge zin. De A-G concludeert dat Van Opzeeland ook voor studiekosten in enge zin zou moeten gelden. Voorts geeft de A-G de Hoge Raad in overweging uit te leggen of met ‘goede trouw’ uit Van Opzeeland de aanvullende of de dereogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt bedoeld (middels een obiter dictum). Voorts meent de A-G dat een restrictieve uitleg van een dergelijk beding voor de hand ligt.
De werkgever voert in cassatie aan dat het hof met het bestreden oordeel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het studiekostenbeding door aan te nemen dat alleen dan is voldaan aan de voorwaarde die het studiekostenbeding stelt, indien is gesteld en gebleken dat werkgever werknemer een voldoende concreet en tijdig aanbod heeft gedaan om medewerker te worden. Betoogd wordt dat deze beperkte uitleg onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting en niet volgt uit de tekst van het beding. De A-G concludeert dat het hof op begrijpelijke wijze bij zijn beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen dat werkgever slechts een beroep op het studiekostenbeding toekomt wanneer zij tijdig en voldoende concreet met werknemer onder ogen heeft gezien of en onder welke voorwaarden hij na afronding van zijn stage in dienst kon blijven als advocaat-medewerker. Voorts heeft het hof vastgesteld dat dit feitelijk niet is gebeurd en dat om deze reden niet gezegd kan worden dat werknemer de arbeidsrelatie met werkgever heeft beëindigd op een wijze die toepassing van het studiekostenbeding rechtvaardigt. Het hof heeft bij zijn beoordeling niet alleen de tekst van het beding tot uitgangspunt genomen maar toepassing gegeven aan het Haviltex-criterium en alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling betrokken, zoals de aard van het beding, de (bijzondere) aard van de arbeidsovereenkomst tussen een patroon en een advocaat-stagiaire en de daarop van toepassing zijnde externe regelementen zoals het stagereglement van het arrondissement Maastricht. Dat is juist toegepast. Conclusie: verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.