Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:7692
werknemer/de maatschap naar burgerlijk recht Lodder & Co Accountants & Adviseurs c.s.
Werknemer is in dienst geweest van Lodder. In de arbeidsovereenkomst stond een concurrentiebeding opgenomen. Tevens was het personeelshandboek 2002 in deze arbeidsovereenkomst geïncorporeerd. In het personeelshandboek staat een relatiebeding. Volgens Lodder – en de kantonrechter – heeft werknemer het relatiebeding overtreden en verbeurt hij een boete van € 247.218,99 wegens schending van een rechtsgeldig met hem overeengekomen non-concurrentiebeding als bedoeld in artikel 7:653 BW. Werknemer wijst erop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het non-concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst, met daarin een verbod bij cliënten van Lodder in dienst te treden en anderzijds het relatiebeding in het personeelsreglement 2002. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden en dat het relatiebeding niet rechtsgeldig schriftelijk met hem is overeengekomen. Hij voert daartoe aan dat het personeelsreglement waarin dit beding was opgenomen hem niet ter hand werd gesteld bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst. De bewijslast dat dit reglement hem wel is verstrekt ligt bij Lodder. Bovendien is het personeelsreglement 2002, met daarin het relatiebeding waarop Lodder zich beroept, komen te vervallen door invoering van een vervangend personeelsreglement 2006. In het reglement van 2006 is geen relatiebeding opgenomen. Lodder wijst erop dat in de arbeidsovereenkomst staat opgenomen dat het personeelshandboek is bijgevoegd en dat werknemer uitdrukkelijk verklaard daarvan kennis te hebben genomen. De door werknemer ondertekende arbeidsovereenkomst is derhalve een onderhandse akte in de zin van artikel 156 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), als gevolg waarvan vaststaat, behoudens tegenbewijs, dat werknemer kennis heeft genomen van de inhoud van het personeelsreglement 2002 en dat hij hiermee akkoord is gegaan.
Het hof oordeelt als volgt. Terecht is tot uitgangspunt genomen dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het rechtsgeldig, schriftelijk overeenkomen van het relatiebeding rusten bij de werkgever, in dit geval Lodder. Aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:653 lid 1 BW is voldaan als in een arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar bijgevoegde arbeidsvoorwaarden waarin een non-concurrentiebeding voorkomt en de werknemer zich door ondertekening van die arbeidsovereenkomst akkoord heeft verklaard met die arbeidsvoorwaarden, zoals in casu ook is gebeurd door middel van artikel 8 in de arbeidsovereenkomst. Deze arbeidsovereenkomst is een onderhandse akte als bedoeld in artikel 156 lid 3 Rv, hetgeen ingevolge artikel 157 lid 2 Rv met zich brengt dat Lodder daarmee dwingend bewijs heeft geleverd, behoudens tegenbewijs, van het feit dat werknemer bekend en akkoord was met de toepasselijkheid van het relatiebeding in artikel 6.1 van het personeelsreglement 2002. Tot het leveren van voormeld tegenbewijs is werknemer in eerste aanleg toegelaten, maar naar het oordeel van de kantonrechter is hij daarin niet geslaagd. Ook in hoger beroep heeft werknemer dit bewijs niet geleverd.
Omdat de schending van het concurrentie- en relatiebeding ziet op relaties waarmee werknemer contacten had in een periode van twaalf maanden voorafgaand aan einde dienstverband en er enige onzekerheid is over wie precies deze relaties zijn, wordt de zaak aangehouden om Lodder in staat te stellen duidelijkheid te verschaffen welke relaties binnen deze periode vallen.