Naar boven ↑

Rechtspraak

Bewindvoerder werknemer/Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. c.s.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 16 september 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:15015

Bewindvoerder werknemer/Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. c.s.

Geen aansprakelijkheid inlener, gebruiker van pand of eigenaar pand voor door werknemer beweerde schade als gevolg van val plafondplaat

Werknemer is als uitzendkracht tewerkgesteld bij X. Hij heeft werkzaamheden verricht bestaande uit het aanleggen van glasvezelkabels. Tijdens deze werkzaamheden zijn plafondplaten opgetild en verschoven. Bij het terugplaatsen van een van de plafondplaten door werknemer is een andere plafondplaat, met in het midden van die plaat een spotje, naar beneden gevallen. Werknemer stelt dat de plaat hem heeft geraakt en dat hij hierdoor letsel heeft opgelopen. De Arbeidsinspectie heeft geen overtreding van de Arbowet geconstateerd. Werknemer heeft Brabant Zorg (gebruiker van het pand) en Zorggoedbrabant (eigenaar van het pand) op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk gesteld. Daarnaast heeft hij X aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 BW, 7:611 BW en 6:170 BW. Hiertoe voert hij aan dat (1) onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen en onvoldoende specifieke instructies zijn gegeven, (2) geen adequate risicoinventarisatie & -evaluatie is gemaakt, (3) artikel 8.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen is overtreden en (4) sprake is geweest van onvoldoende coördinatie.

De rechtbank oordeelt als volgt. Onderhavig geschil leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Van aansprakelijkheid van Brabant Zorg en Zorggoedbrabant op basis van artikel 6:174 BW is geen sprake. Vaststaat dat de plafondplaat is gevallen op het moment dat er al werkzaamheden aan het plafond waren verricht, waartoe plafondplaten zijn opgetild en uit het systeem zijn geschoven. Om deze reden kan – hoewel vaststaat dat de betreffende plaat, direct voordat deze naar beneden viel, niet werd aangeraakt – niet worden gesteld dat van een spontane val sprake is geweest. De stelling dat sprake is van een gebrekkige opstal faalt. Op basis van de door werknemer overgelegde foto’s staat vast dat in de naar beneden gevallen plafondplaat een scheur zat vanaf het spotje in het midden van de plaat lopend tot de rand van de plaat. Dat deze scheur, zoals werknemer heeft gesteld, de oorzaak van de val is geweest acht de rechtbank echter onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Ook de vorderingen ten aanzien van X falen. X is erin geslaagd te bewijzen dat aan de zorgplicht is voldaan. Werknemer heeft het Basis Veiligheid VCA-diploma behaald. Op 17 juni 2009 zijn de veiligheidsrisico’s van zijn functie met werknemer besproken, voorafgaand aan de start van zijn werkzaamheden. Voorts heeft hij op 18 juni 2009 een pakket met persoonlijke beschermingsmiddelen ontvangen, waaronder een veiligheidshelm. Daarnaast heeft hij een werkinstructie gekregen van de KAM-coördinator. Bij die gelegenheid is hem ook een boekje met veiligheidsinstructies verstrekt. Daarnaast worden geregeld toolboxmeetings gehouden, die verplicht zijn voor werknemers. Tot slot laat X op regelmatige basis RI&E’s verrichten. Daarmee heeft X voldoende zorg gedragen voor algemene veiligheidsaspecten. Werknemer heeft zijn stelling dat er sprake zou zijn van een fout van een ondergeschikte volstrekt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Tot slot heeft werknemer ook niet aangegeven waarom artikel 7:611 BW in dit concrete geval toepassing zou moeten vinden.