Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 18 oktober 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:11293
Pure Fashion Wear B.V./werkneemster
Werkneemster is sinds 1 september 2012 bij Pure Fashion in dienst, laatstelijk in de functie van productiemedewerkster. De oorspronkelijk voor zes maanden gesloten arbeidsovereenkomst is per 28 februari 2013 met één jaar verlengd. Werkneemster is op 7 augustus 2013 in verband met hartklachten kortstondig in het ziekenhuis opgenomen geweest. Werkgever heeft te kennen gegeven te verwachten dat werkneemster op 19 augustus 2013 weer op het werk verschijnt. Werkneemster heeft gesteld nog ziek te zijn. De bedrijfsarts heeft op 27 augustus 2013 vastgesteld dat werkneemster door een medische aandoening arbeidsongeschikt is geraakt. Zij is weer in staat het eigen werk te verrichten, maar wel wordt mediation geadviseerd om het arbeidsconflict aan te pakken. Pure Fashion heeft het loon over augustus 2013 niet volledig betaald en de loonbetaling vanaf september 2013 stopgezet. Thans verzoekt Pure Fashion ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. De stellingen van Pure Fashion dat werkneemster niet naar behoren functioneert, te laat komt op het werk, geen representatieve verzorging heeft, gebruik maakt van haar privételefoon tijdens de werkzaamheden voor Pure Fashion en werkzaamheden voor haar eigen bedrijf voortzet tijdens haar werkzaamheden voor Pure Fashion zijn in het geheel niet, of onvoldoende onderbouwd. Pure Fashion heeft zich niet als goed werkgever gedragen. Uit de diverse contacten tussen partijen blijkt duidelijk dat Pure Fashion kennelijk twijfels had over de lichamelijke klachten van werkneemster. Als er twijfels zijn dan moet de werkgever de bedrijfsarts inschakelen en niet op de stoel van de bedrijfsarts gaan zitten. Het is in dat verband opvallend dat Pure Fashion op de ochtend na de ziekenhuisopname van werkneemster haar vraagt of zij dan niet later kan komen omdat zaken moeten worden ingehaald. Dat getuigt niet van enige empathie jegens werkneemster. Ook is Pure Fashion niet bereid geweest over te gaan tot mediation. De arbeidsovereenkomst zou zonder ontbinding in ieder geval nog hebben bestaan tot eind februari 2014. Rekening houdend met die termijn en het aan Pure Fashion te maken verwijt voor haar laakbare handelwijze doet een vergoeding van € 15.000 bruto het meeste recht aan de omstandigheden.
Pure Fashion wordt bovendien, hoewel dit niet gebruikelijk is, veroordeeld in de kosten van de procedure. Werkneemster is immers door de laakbare handelwijze van Pure Fashion gedwongen zich van juridische bijstand te voorzien. Onder de gegeven omstandigheden is het niet billijk de kosten daarvan dan voor haar rekening te laten komen.