Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 november 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:9578
werknemer/werkgeefster
Werknemer is op 1 mei 2005 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) werkgeefster in de functie van Senior Sluiter Marine Hull. Werkgeefster is een beursassurantiemakelaar. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen op grond waarvan werknemer gedurende een jaar na beëindiging van de dienstbetrekking geen zakelijke contacten mag hebben met verzekerden. Met ingang van 1 januari 2009 is werknemer benoemd tot Directeur Marine en Varia. Op 1 februari 2010 is de functie van werknemer gewijzigd in de functie Directeur Schadeverzekeringen. Met ingang van 11 september 2012 is werknemer benoemd tot statutair bestuurder/Chief Operations Officer van de nieuwe organisatie van werkgeefster. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 augustus 2013. Werknemer heeft op 7 augustus 2013 tezamen met de Engelse assurantiemakelaar Howden Broker Group Ltd de Nederlandse vennootschap Howden Insurance Brokers Nederland B.V. opgericht. Thans is tussen partijen onder meer in geschil of het concurrentiebeding haar geldigheid heeft verloren doordat (1) de arbeidsverhouding tussen partijen ingrijpend is gewijzigd en (2) het non-concurrentiebeding daardoor aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Ten aanzien van de ‘marine’-verzekeringen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat doorgroei binnen werkgeefster naar een functie met (meer) (eind)verantwoordelijkheid volledig onvoorzienbaar was. Gelet daarop is ook niet aannemelijk dat de groei van het aantal ‘marine’-verzekerden onvoorzienbaar was. Voorshands is voorst onvoldoende aannemelijk dat werknemer voor wat betreft de ‘marine’-verzekerden de consequenties van het concurrentiebeding voor eventueel toekomstige functies onvoldoende heeft kunnen overwegen. Voor wat betreft de ‘marine’-verzekerden is de functie van werknemer, tegen de achtergrond van de strekking van het concurrentiebeding naar voorlopig oordeel niet ingrijpend gewijzigd.
Voor wat betreft overige verzekerden is het voorgaande niet zonder meer gegeven en zou de functie van werknemer wel ingrijpend gewijzigd kunnen zijn en was deze functiewijziging bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet zonder meer voorzienbaar. Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst is werknemer immers in dienst getreden op het gebied van ‘marine’-verzekeringen. Niet zonder meer aannemelijk is geworden dat ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst van 9 maart 2005 werknemer er rekening mee had kunnen houden dat hij uiteindelijk (ook) verantwoordelijk zou worden voor brand-, motorrijtuigen- en particuliere verzekeringen. Voorshands valt niet uit te sluiten dat door de uitbreiding van de werkzaamheden van werknemer met de brand-, motorrijtuigen- en particuliere verzekeringen het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Werknemer heeft weliswaar een nieuwe, gelijkwaardige werkkring gevonden, maar zeker niet ondenkbaar is dat hij in uitoefening van zijn nieuwe functie in overwegende mate wordt belemmerd door uitbreiding van het concurrentiebeding tot andere verzekerden dan de ‘marine’-verzekerden. Naar voorlopig oordeel heeft het concurrentiebeding met betrekking tot de ‘marine’-verzekerden zijn werking behouden, maar dat kan wat betreft de overige verzekerden niet zonder meer worden aangenomen.