Naar boven ↑

Rechtspraak

X/European Patent Office c.s.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 3 oktober 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:16952

X/European Patent Office c.s.

Kwalificatievraag. European Patent Office stelt met succes dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dit geval wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzondering van immuniteit van jurisdictie

X heeft op 28 november 2002 een contract of employment for a fixed period of time gesloten met Michael Bailey Associates Limited (hierna: MBA). Hij verrichtte de werkzaamheden van Technical Project Assistant bij European Patent Office (hierna: EPO). Halfjaarlijks tot jaarlijks tekende X nieuwe arbeidsovereenkomsten met MBA. Op 14 december 2012 is de aanvraag voor een Verklaring arbeidsrelatie voor 2013 van X afgewezen omdat volgens de Belastingdienst ‘de conclusie (is) dat de arbeidsrelatie met de opdrachtgever ZZP No.1/MBA kwalificeert als Loon uit dienstbetrekking’. Centrale vraag in deze procedure is of er een arbeidsovereenkomst bestaat tussen X en EPO.

De kantonrechter oordeelt als volgt. EPO is blijkens de dagvaarding gevestigd in Rijswijk, zodat de kantonrechter te Den Haag in beginsel bevoegd is om kennis te nemen van de primaire vorderingen. De vraag is evenwel of de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dit geval wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzondering van immuniteit van jurisdictie. Ingevolge artikel 8 van het Europees Octrooiverdrag wordt in het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten de voorwaarden omschreven waaronder de organisatie in elke verdragsluitende staat de voorrechten en immuniteit genieten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken. Artikel 4 lid 3 van hetzelfde verdrag omschrijft de taak van het Europees Octrooibureau als het verlenen van Europese octrooien. Tot de geschillen die onmiddellijk verband houden met de vervulling van de aan de organisatie opgedragen taken behoren in elk geval arbeidsgeschillen die kunnen rijzen tussen de organisatie en diegenen die in haar dienst bij het vervullen van die taken een essentiële rol vervullen. Partijen verschillen van mening of hiervan bij X sprake is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit het geval. De werkzaamheden van X betroffen immers het mogelijk maken van de digitale indiening van patentaanvragen en als zodanig de aanvang van de verlening van de octrooien. Het beroep op artikel 6 EVRM gaat niet op, waarbij wordt verwezen naar de uitspraak EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12. De kantonrechter verklaart zich in dit kort geding onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen EPO. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst met MBA. Nadat X op 13 april 2011 een einde had gemaakt aan zijn arbeidsovereenkomst met MBA, heeft A Productions Holding BV een overeenkomst gesloten met The ZZP Company no. 1. Hoewel partijen hebben gesproken over het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, hebben partijen hierover geen overeenstemming kunnen bereiken. Volgt afwijzing van de vorderingen.