Naar boven ↑

Rechtspraak

Koninklijke Luchtvaartmaatschappij KLM N.V. c.s.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 23 december 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:13545

Koninklijke Luchtvaartmaatschappij KLM N.V. c.s.

Opzegtermijn ex artikel 19 lid 2 Wet CAO is niet van toepassing op specifiek tussen cao-partijen overeengekomen opzegginsgrond in Ringvaart Akkoord. Uitleg cao-bepaling

Tussen KLM en Martinair enerzijds en Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers (hierna: VNV) anderzijds is op 19 oktober 2011 het Ringvaart Akkoord (hierna: RVA) gesloten. Het RVA is aangemeld als cao. In het RVA zijn bepalingen opgenomen over de integratie van de vliegerkorpsen van KLM en Martinair. Begin 2013 zijn twee rechtszaken aanhangig gemaakt met als inzet dat sprake is van een overgang van onderneming. Er is nog geen uitspraak gedaan in die zaken. Op 31 oktober 2013 heeft VNV het RVA opgezegd tegen 31 december 2013. De Stichting Algemeen Vlieger Belang heeft een kort geding aanhangig gemaakt en gevorderd KLM te veroordelen ook na 1 januari 2014 het RVA toe te passen op de leden van de VNV en/of de werknemers die via een incorporatiebeding aan het RVA zijn gebonden (zie AR 2013-1037). KLM, Martinair en VNV verzoeken de kantonrechter ex artikel 96 Rv uitspraak te doen over de vraag of als gevolg van de opzegging door VNV het RVA met ingang van 31 december 2013 is geëindigd.

De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat, nu het RVA niet zoals in artikel 19 lid 2 Wet CAO voorgeschreven, voor 3 oktober 2013 is opgezegd, de looptijd hiervan verlengd is met een jaar tot 3 november 2014. Vast staat ook dat partijen in artikel 18.2 RVA een tussentijdse opzegmogelijkheid hebben opgenomen voor het geval zich de in dit artikel genoemde omstandigheid zou voordoen. Het RVA bepaalt in artikel 18.2.1 dat in geval van het aanhangig zijn van een procedure omtrent de vraag of – kort samengevat – sprake is van overgang van onderneming van Martinair-vliegers naar KLM, een van de partijen het recht heeft om het RVA eenzijdig op te zeggen. Tussen partijen is niet in geschil dat die situatie zich voordoet en dat dus rechtsgeldig is opgezegd door de VNV. Aan die opzegmogelijkheid is noch in artikel 18.2.1 noch elders in het RVA een termijn gekoppeld. De vraag die partijen verdeeld houdt betreft dan ook uitsluitend de duur van de in acht te nemen opzegtermijn. Met VNV is de kantonrechter van oordeel dat artikel 19 lid 2 Wet CAO ten aanzien van deze specifieke tussen de cao-sluitende partijen overeengekomen opzeggingsgrond, toepassing mist. De formulering van artikel 19 lid 2 Wet CAO waarin de zinsnede omtrent de opzegtermijn – in een doorlopend zinsverband – is gekoppeld aan de stilzwijgende verlenging van de cao, rechtvaardigt niet de lezing dat de aldaar geformuleerde opzegtermijn op alle (andere, door partijen overeengekomen, tussentijdse) opzegmogelijkheden van een cao van toepassing is. Nu artikel 18.2.1 van het RVA geen opzegtermijn noemt is sprake van een leemte in de cao, c.q. een onvolledige cao-bepaling die nadere uitleg behoeft. Deze uitleg geschiedt conform de cao-norm. De considerans bij het RVA, de bewoordingen daarvan, meer in het bijzonder de artikelen 2, 3 en 18 van het RVA, en de objectief kenbare bedoelingen van de cao sluitende partijen die onder meer tot uitdrukking komen in de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de verschillende visies op de uitleg van artikel 18.2.1 RVA, voert tot de conclusie dat de visie van VNV juist moet worden geacht. De door VNV gehanteerde opzegtermijn van twee maanden is redelijk. Het RVA eindigt derhalve per 31 december 2013.