Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 oktober 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3271
werknemer/Datawell BV
Bij vonnis van 22 juni 2005 is Datawell veroordeeld tot betaling van achterstallig loon. De kantonrechter heeft Datawell veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan werknemer te betalen de somma van € 33.495 bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de diverse vervaldata, zijnde de data waarop werknemer vanaf 1 oktober 2002 maandelijks zijn (onjuiste) salaris ontving, alsmede te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging, heeft Datawell voorts veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan werknemer te betalen de somma van € 9.039,24 bruto vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2004, alsmede te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging. Bij arrest van 18 november 2008 heeft het hof – in het door Datawell tegen het vonnis ingestelde principale beroep – dit vonnis bekrachtigd. Werknemer heeft Datawell gevorderd over de wettelijke verhoging tevens de wettelijke rente te betalen.
Het hof oordeelt als volgt. De toewijzing van een dergelijke nieuwe vordering tot toekenning van wettelijke rente over bij een eerder vonnis toegekende wettelijke verhoging, verdraagt zich niet met de bevoegdheid van de rechter tot matiging van de bedoelde verhoging zoals geregeld in artikel 7:625 lid 1 laatste volzin BW. Die bevoegdheid geeft de rechter de mogelijkheid de in de wet voorziene verhoging over het loon dat de werkgever niet tijdig aan de werknemer heeft betaald – waaronder mede te begrijpen een niet tijdig betaalde uitkering van niet-opgenomen vakantiedagen – te beperken tot een zodanig bedrag als de rechter ‘met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen’. De genoemde bevoegdheid heeft mede de strekking een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente die de werkgever op grond van artikel 6:119 BW wegens de vertraging in de betaling in beginsel verschuldigd is, te voorkomen. Deze strekking brengt mee dat de rechter die voor de vraag staat of en zo ja, in hoeverre, hij van zijn bevoegdheid tot matiging van de wettelijke verhoging gebruik zal maken, rekening moet kunnen houden – als daarbij in ogenschouw te nemen omstandigheid – met een eventuele aanspraak van de werknemer op vergoeding van wettelijke rente over die verhoging. Toewijzing van een rentevordering zoals thans aan de orde in een afzonderlijk geding, nadat zij eerder niet samen met de vordering tot toekenning van de wettelijke verhoging was ingesteld, verdraagt zich daarmee niet: de rechter heeft dan immers bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre hij van zijn matigingsbevoegdheid gebruik zou maken, geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de werknemer naast de door hem gevorderde wettelijke verhoging, tevens aanspraak maakte op vergoeding van wettelijke rente daarover en dat het gezamenlijke beloop van de gevorderde wettelijke verhoging en die rente – in het voorliggende geval – aanzienlijk hoger was dan 50% van de toe te wijzen loonsom en vergoeding wegens niet-opgenomen vakantiedagen. Het voorgaande brengt mee dat werknemer niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat deze dus ook in hoger beroep niet toewijsbaar is.