Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 14 januari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:143
Qualinorm/echtgenote van werknemer
(Zie ook AR 2013-0234 en AR 2013-0235.) Werknemer heeft gedurende een lange periode fraude gepleegd bij Qualinorm en is veroordeeld tot vergoeding van de schade. In deze zaak staat de vraag centraal of de ex-echtgenote van werknemer eveneens gehouden is tot terugbetaling van het ontvreemde bedrag van Qualinorm. Ex-echtgenote heeft aangevoerd dat zij niet wist en ook niet behoefde te weten dat de gelden die op de gezamenlijke bankrekening zijn gestort voor een groot deel geen rechtsgrond hadden. Zij heeft gesteld dat ex-echtgenoot haar om de tuin heeft geleid. Zij verkeerde in de veronderstelling dat ex-echtgenoot op een gegeven moment medeaandeelhouder is geworden van Qualinorm. Al vanaf het begin af aan had ex-echtgenoot een goed inkomen dat jaarlijks langzaamaan opliep. Gezien de zeer vergaande motiveringen en gedragingen van ex-echtgenoot heeft zij er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat ex-echtgenoot medeaandeelhouder was van Qualinorm en recht had op de overgemaakte bedragen. Dat zij journaliste is maakt niet dat zij thuis in haar eigen vertrouwde omgeving ook als zodanig optreedt. Voor alle overboekingen en gedragingen had ex-echtgenoot een plausibele verklaring. Ex-echtgenote heeft hier nooit aan getwijfeld en heeft hier redelijkerwijs ook niet aan hoeven te twijfelen. Daarbij meent zij dat de pot de ketel verwijt, nu ex-echtgenoot gedurende acht jaar erin is geslaagd om bedragen van Qualinorm naar zijn bankrekening over te maken of met de pinpas van Qualinorm enorme bedragen te pinnen bij onder meer het casino, zonder dat dit door Qualinorm is opgemerkt. Dat Qualinorm de boekhouding niet heeft gecontroleerd komt voor haar rekening en risico. Bij tussenarrest (AR 2013-0235) heeft het hof ex-echtgenote een aantal bewijsopdrachten gegeven. Aan Qualinorm is opgedragen te bewijzen dat ex-echtgenote wel degelijk op de hoogte was van het feit dat werknemer geen medeaandeelhouder was van Qualinorm.
Het hof oordeelt thans als volgt. De verklaring van ex-echtgenote komt hierop neer dat werknemer vanaf circa 2000 haar consequent heeft voorgehouden dat hij aandeelhouder was in Qualinorm. Zij heeft verklaard dat zij vanaf september 1999 – zij was toen negentien jaar oud – tot het moment dat de fraude aan het licht kwam een relatie met werknemer heeft gehad, waarbij werknemer in het begin van hun relatie werknemer bij Qualinorm was en zij niet beter wist dan dat hij op een gegeven moment aandeelhouder is geworden. Daarbij paste dat werknemer het financieel steeds beter kreeg. Volgens ex-echtgenote was sprake van een situatie waar zij langzaam is ingegroeid. Het hof acht de verklaring van ex-echtgenote dat zij er niet van op de hoogte was dat werknemer geen medeaandeelhouder was in Qualinorm overtuigend. Hetzelfde geldt voor de verklaring van ex-echtgenote dat zij niet wist van de gokverslaving van werknemer en dat zij geen volledig inzicht van werknemer kreeg in de financiële situatie van werknemer, zodat er voor haar geen aanleiding was om redelijkerwijze aan het aandeelhouderschap van werknemer te twijfelen. Die overtuiging ontleent het hof kort gezegd aan het feit dat uit alle afgelegde verklaringen zonder uitzondering duidelijk wordt dat werknemer in staat is geweest een web van leugens te spinnen dat geruime tijd door niemand in zijn omgeving – zijn werkgever inbegrepen – kon worden ontward. Ex-echtgenote behoefde dan ook redelijkerwijze geen rekening te houden met een verplichting tot terugbetaling van het naar de gezamenlijke rekening van partijen overgemaakte bedrag van € 104.081,30. Dit betekent dat deze vordering wat betreft de primaire grondslag, te weten onverschuldigde betaling, moet worden afgewezen. Qualinorm wordt veroordeeld schade te vergoeden aan de ex-echtgenote wegens opgelegd beslag en bewaring.