Rechtspraak
werknemer/Qualinorm B.V.
Werknemer is op 7 augustus 1996 in dienst getreden bij Qualinorm in de functie van accountmanager. Op 16 september 2010 is werknemer op staande voet ontslagen wegens het stelselmatig onttrekken van geld aan Qualinorm. Werknemer heeft tijdens zijn dienstverband bij Qualinorm gedurende een periode van ongeveer tien jaren met regelmaat gelden die toebehoorden aan Qualinorm aangewend voor privédoeleinden. Een substantieel deel van die gelden is gebruikt om mee te gokken, voornamelijk in casino’s in Nederland. Er zijn echter ook niet onaanzienlijke bedragen gebruikt voor andere uitgaven in de privésfeer, zoals het aanschaffen van luxegoederen. Qualinorm heeft in eerste aanleg veroordeling van werknemer gevorderd tot betaling van een bedrag groot € 1.878.409,88 c.a. primair op grond van een toerekenbare tekortkoming uit hoofde van het dienstverband.
Het hof oordeelt als volgt. Omdat elke onttrekking een bewust handelen vereist en werknemer er ook telkens alles aan heeft gedaan om die onttrekkingen verborgen te houden voor Qualinorm door de boekhouding te manipuleren, neemt het hof tot uitgangspunt dat er bij werknemer steeds sprake is geweest van opzet als bedoeld in artikel 7:661 BW. Werknemer betwist echter dat er sprake is van opzet (of bewuste roekeloosheid) als bedoeld in artikel 7:661 BW, nu zijn handelen in ernstige mate werd beïnvloed door zijn gokverslaving. Werknemer verwijst in dat verband naar de door hem in eerste aanleg overgelegde verklaringen van de Zuid-Afrikaanse psychiater en van de zich als ervaringsdeskundige presenterende counselor. Naar het oordeel van het hof kan er sprake zijn van een zodanige verslaving dat iemands denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene zijn handelen niet kan worden toegerekend, omdat zijn stoornis dat handelen in overwegende mate beheerst. Daarvoor is dan echter wel vereist dat de verslaving gepaard gaat met of voortvloeit uit (andere) psychische stoornissen, waardoor betrokkene niet meer in staat moet worden geacht zijn wil (in casu ten aanzien van het gokken) in vrijheid te bepalen. Ook het gegeven dat hij kennelijk wel in staat is geweest het penningmeesterschap van de lokale VVD naar behoren te vervullen (het tegendeel is niet gesteld of gebleken), past niet bij het beeld van een psychisch gestoorde verslaafde wiens dagelijkse denken en doen wordt beheerst door de stoornis en de verslaving waaraan hij lijdt.