Naar boven ↑

Rechtspraak

H.W. Holding/RDH Beheer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 november 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3960

H.W. Holding/RDH Beheer

Ontslag statutair bestuurder doet managementovereenkomst niet eindigen. Geen analoge toepassing 15 april-arresten

De bestuurder/rechtspersoon H.W. Holding verricht voor RDH Beheer werkzaamheden, van vooral financiële aard, op grond van een managementovereenkomst die tussen partijen in september 2008 is gesloten. Deze managementovereenkomst is, naar tussen partijen niet in geschil is, te kenmerken als een overeenkomst van opdracht. De aldus aan H.W. Holding opgedragen werkzaamheden worden feitelijk verricht door W. Voor de werkzaamheden is een (nader overeengekomen) vergoeding van € 8.565 per maand inclusief btw afgesproken. Eind oktober 2010 constateerden de bestuurders van RDH Holding dat H.W. Holding in de periode van 13 februari 2009 tot en met september 2010 – naast een aan H.W. Holding geleend bedrag – zonder toestemming van de andere bestuurders in totaal € 14.857,06 uit RDH Beheer heeft opgenomen en in rekening courant heeft geboekt. Na onderzoek vindt in november 2010 een AVA plaats. Tijdens deze AVA is H.W. Holding als bestuurder ontslagen.

Het hof oordeelt als volgt. H.W. Holding bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het besluit van de AVA in overeenstemming met de statutaire bepalingen van RDH Beheer is omdat de statutaire voorschriften die zien op de oproeping van een algemene vergadering van aandeelhouders niet zijn nageleefd. Het hof volgt H.W. Holding hierin niet, omdat, naar niet is betwist, het voorstel tot het ontslag van H.W. Holding tijdens de vergadering, waarbij alle aandeelhouders aanwezig waren, met algemene stemmen is aangenomen en aldus, in weerwil van het niet naleven van de voorschriften die zien op de oproeping, dat besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen. De aanwezigheid van W brengt voorts met zich dat het hoorrecht niet is geschonden. Dat hij onvoorbereid zou zijn geweest, juridisch niet geschoold en geëmotioneerd maakt niet dat het besluit jegens H.W. Holding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, nu zij bij monde van W zelf met dat besluit heeft ingestemd en dienovereenkomstig heeft gehandeld.

Het hof is om de navolgende redenen van oordeel dat het besluit tot het ontslag van H.W. Holding niet tevens beëindiging van de managementovereenkomst met RDH Beheer tot gevolg heeft (naar analogie van HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030). Het beroep op de uitspraken van de Hoge Raad gaat niet op, omdat de omstandigheden die in die arresten aan de orde waren niet zonder meer op één lijn kunnen worden gesteld met de situatie die hier aan de orde is. Die uitspraken zien op een natuurlijk persoon die zowel werknemer als bestuurder was. Tussen H.W. Holding en RDH Beheer is, hetgeen met het voorgaande samenhangt, geen arbeidsovereenkomst gesloten, maar een overeenkomst van opdracht. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat door een rechtsgeldig ontslag van een bestuurder door een bevoegd orgaan ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding, omdat zulks volgt uit de wetsgeschiedenis van (de voorloper van) de artikelen 2:134 en 2:244 BW, die ertoe strekken te bewerkstellingen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Deze artikelen zijn hier evenwel niet van toepassing omdat er geen arbeidsrechtelijke verhouding is in de zin van die wettelijke bepalingen, en daar ook geen sprake van kan zijn omdat de bestuurder H.W. Holding een rechtspersoon is. Daarom dient het antwoord op de vraag welke gevolgen het ontslagbesluit heeft voor de verhouding tussen H.W. Holding en de RDH Beheer, naar analogie van het door de Hoge Raad in die uitspraken vooropgestelde uitgangspunt, gevonden te worden aan de hand van hetgeen is overeengekomen in de overeenkomst van opdracht en de op de overeenkomst van opdracht toepasselijke wetsbepalingen. Partijen hebben zich blijkens de inhoud van de managementovereenkomst rekenschap gegeven van de verhouding tussen de hoedanigheid van H.W. Holding als bestuurder en die van opdrachtnemer. Dat vindt in het bijzonder uitdrukking in artikel 7.6 van de managementovereenkomst. Redelijke uitleg van die bepaling biedt onvoldoende houvast voor de gevolgtrekking dat partijen voor ogen heeft gestaan dat aan de overeenkomst automatisch een einde zou komen als H.W. Holding als bestuurder zou worden ontslagen. Het standpunt dat de overeenkomst met H.W. Holding vanzelf door het besluit tot ontslag is geëindigd volgt het hof dan ook niet.

In casu kan de contractuele bepaling die luidt dat de managementovereenkomst onmiddellijk eindigt bij aftreden van W als bestuurder niet tot een ander oordeel leiden. Het hof is van oordeel dat deze bepaling niet in die zin moet worden uitgelegd dat het ontslag van H.W. Holding als bestuurder tevens zonder meer het einde van de managementovereenkomst teweegbrengt. Om te beginnen kan aan het woord ‘aftreden’ niet gemakkelijk de door RDH Beheer bepleite royale betekenis worden toegekend, gelet op de betekenis die dit woord in het algemene spraakgebruik heeft. Verder is in dit verband van belang dat de managementovereenkomst in artikel 7 in verschillende mogelijkheden voorziet om de overeenkomst op te zeggen, waaronder, zoals hiervoor al aan de orde gekomen, met onmiddellijke ingang ingevolge de artikelen 7.2 en 7.3 in het geval van grove wanprestatie door, respectievelijk onaanvaardbare gedragingen van, de manager, en, met een opzegtermijn van zes maanden, zonder dat daarvoor enige grond nodig is, ingevolge artikel 7.1. Aldus is voorzien in een relatief gemakkelijke beëindiging van de managementovereenkomst. Uit een en ander leidt het hof af dat voor de door RDH Beheer bepleite uitleg ontoereikende grond bestaat. RDH Beheer kan de overeenkomst direct beëindigen in het geval de manager een verwijt valt te maken in de zin van de artikelen 7.1 en 7.2 dan wel met een opzegtermijn van zes maanden in de overige gevallen.