Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 16 januari 2014
ECLI:NL:RBNNE:2014:207
werkgeefster/werknemer
Tussen werknemer en werkgeefster is naast een arbeidsovereenkomst een geldleningovereenkomst overeengekomen. In geschil is of werknemer bevoegd is het bedrag van € 5.632,64 dat hij aan pensioen heeft opgebouwd te verrekenen met zijn schuld jegens werkgeefster. De kantonrechter heeft op 11 juli 2013 een tussenvonnis gewezen waarin onder meer is geoordeeld dat werknemer de vordering van werkgeefster uit hoofde van de geldleningsovereenkomst mag verrekenen. Werkgeefster heeft thans aangevoerd dat op grond van het Europees Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) op de arbeidsverhouding met werknemer geen Nederlands recht, maar Cypriotisch recht van toepassing is. Ook heeft zij aangevoerd dat zij geen verplichting had om een individuele pensioenvoorziening voor werknemer te treffen.
De kantonrechter stelt voorop dat in het vonnis van 11 juli 2013 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist over het geschilpunt omtrent de mogelijkheid tot verrekening van de nog openstaande geldlening met het opgebouwde pensioen. De kantonrechter is in beginsel in het verdere verloop van het geding aan deze eindbeslissing gebonden (HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521). Deze gebondenheid die dient tot beperking van het debat, geldt niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die beslissing. In dit geval is geen grond voor heroverweging, omdat niet is gebleken dat voornoemde eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is gebaseerd. Deze beslissing is gebaseerd op artikel 14 van de arbeidsovereenkomst waarin is opgenomen dat de werkgeefster als dat mogelijk is een pensioenvoorziening zal treffen. In het vonnis van 11 juli 2013 is in het midden gelaten of het Nederlands recht dan wel het Cypriotisch recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. De kantonrechter ziet ook thans geen noodzaak om hierover een knoop door te hakken nu werkgeefster zowel naar Nederlands als naar Cypriotisch recht gehouden is aan afspraken die in de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt omtrent het realiseren van een pensioenvoorziening. Geoordeeld wordt dat werknemer een bedrag van € 5.632,64 (netto) aan pensioenvoorziening met de lening mag verrekenen.