Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 9 oktober 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:9233
werkneemster/Stichting GGZ Noord-Holland Noord
Werkneemster is sinds 2002 in dienst van GGZ in de functie van ziekenverzorgster. Zij is op staande voet ontslagen wegens diefstal van € 81,60 uit verschillende geldkisten. De diefstal is met camerabeelden vastgelegd. Thans betwist werkneemster de dringende reden en vordert zij gefixeerde schadevergoeding. Ook stelt zij dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat GGZ ter zake de opgehangen camera niet heeft voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit en het kenbaarheidsvereiste van artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voorts beroept zij zich op het gevolgencriterium.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het cameratoezicht was geoorloofd. Er was sprake van een concrete verdenking. GGZ heeft gehandeld volgens haar Protocol Cameratoezicht, de camera stond gericht op de geldkist en andere maatregelen, zoals het dagelijks tellen van het geld, hebben niet tot een oplossing geleid. Ook weegt mee dat het vermoeden van diefstal door één of meer werknemers alleen gestaafd kon worden met beeldmateriaal van verborgen camera’s en dat gedurende een relatief korte periode opnames zijn gemaakt. Werkneemster heeft zich niet op de nietigheid van het ontslag beroepen. Voor de beoordeling van de gevorderde gefixeerde schadevergoeding is van belang of sprake is van een dringende reden. Diefstal van geld vormt op zich in objectieve zin een reden tot ontslag die in het algemeen als dringend zal worden aanvaard, zoals ook in casu het geval is. Toch is er in dit geval, gelet op de omstandigheden, geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden wordt overwogen dat werkneemster een dienstverband heeft van ruim tien jaar en altijd goed heeft gefunctioneerd. Werkneemster heeft ter zitting toegelicht dat zij als gevolg van mishandeling en bedreiging door haar ex veel psychische schade heeft geleden, genoodzaakt was met haar kinderen te verhuizen naar het Oranjehuis, zij er vervolgens financieel alleen voor stond en moest rondkomen van leefgeld. Vast staat dat werkneemster onder grote spanning stond en niet zonder meer kan worden aangenomen dat zij de consequenties van haar handelen kon overzien. Aannemelijk is geworden dat de oorzaak voor het handelen van werkneemster in overwegende mate is gelegen in buiten haar invloedsfeer liggende omstandigheden, hetgeen afdoet aan de mate waarin dit alles haar persoonlijk valt aan te rekenen. Gelet op alle omstandigheden had het op de weg van GGZ gelegen over te gaan op een minder ingrijpend middel, zoals een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, alsmede goedwerkgeverschap levert de gedraging van werkneemster geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op. De gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van twee maandsalarissen wordt toegewezen.
Voorts wordt geoordeeld dat de opzegging ook kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium. Als gevolg van het ontslag op staande voet en aangifte van de diefstal bij de politie bestaat enerzijds redelijkerwijs de verwachting dat werkneemster niet in staat zal zijn spoedig werk te vinden waarmee zij een inkomen zou kunnen verdienen dat niet wezenlijk afwijkt van het inkomen dat zij genoot in dienst van GGZ. Anderzijds is werkneemster aangewezen op een bijstandsuitkering in plaats van een WW-uitkering. De kantonrechter is van oordeel dat de positie waarin zij thans verkeert voor haar wel zeer nadelig is. Er wordt een schadevergoeding toegewezen die overeenkomt met het verschil tussen de bijstandsuitkering en de WW-uitkering over 22 maanden (€ 10.000).