Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/Bios Ambulancezorg BV
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 december 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:4811

werknemers/Bios Ambulancezorg BV

Naleving standaard-cao met als gevolg verlaging maandinkomen, is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Werkgever is niet verplicht op grond van artikel 7:611 BW ontheffing te vragen van cao-bepaling voor werknemers.

Werknemers zijn allen in dienst van Bios als ambulancechauffeur resp. ambulanceverpleegkundige. Zij zijn allen voormalige werknemers van X Ziekenvervoer, welk bedrijf in 2003 is samengegaan met Silo en vervolgens – in ieder geval vóór 1 januari 2006 – is opgegaan in Bios. De individuele arbeidsovereenkomsten kennen een zgn. incorporatiebeding voor wat betreft de toepasselijkheid van de cao. In de CAO Ambulancezorg 2011-2012, evenals in de daaraan voorafgaande CAO Ambulancezorg 2005-2008 en in die van 2008-2010, welke cao’s steeds van toepassing waren op de arbeidsovereenkomsten van werknemers, werd de verdeling van de pensioenpremie vastgesteld op 50% werkgever en 50% werknemer. Genoemde cao’s hebben een standaardkarakter. Tot 1 januari 2006 betaalde Bios voor de werknemers die bij X Ziekenvervoer in dienst waren (geweest) zowel het werkgevers- als het werknemersdeel van de pensioenpremie, zodat door hen bijdragevrij pensioen werd opgebouwd. Met ingang van 1 januari 2006 bouwt Bios dit af en verwijst naar het standaardkarakter van de cao. Werknemers vorderen onverkorte nakoming van de oude afspraken. Zij stellen zich onder meer op het standpunt dat Bios ten onrechte heeft nagelaten om cao-partijen te verzoeken haar zodanige ontheffing van het bepaalde in de cao te verlenen dat zij de bijdragevrije opbouw van pensioen voor werknemers kan continueren.

Het hof oordeelt als volgt. Niet gezegd kan worden dat de werkgever zijn 611-verplichting schendt door geen ontheffing te vragen voor zijn werknemers. Anders dan werknemers hebben betoogd kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat het beroep van Bios op het standaardkarakter van de cao’s - als verweer tegen de vordering van werknemers een verdere bijdrage in de pensioenpremie te betalen dan zij feitelijk heeft gedaan dan wel waartoe zij zich gehouden acht – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is weersproken dat het grootste gedeelte van de werknemers lid is van een van de partijen bij de cao en evenmin dat zij hun positie bij hun vakbond hebben aangekaart. Niet gezegd kan worden dat bij het cao-overleg daarmee geen rekening kon worden gehouden. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat het – door de sector als geheel – reserveren van een eenmalig concreet in de cao 2011-2012 vermeld bedrag ten behoeve van de toepassing van de daarin opgenomen hardheidsclausule door de daartoe in het leven geroepen Commissie Hardheidsclausule kan worden gezien als een onderstreping van het belang dat de sector hechtte aan het standaardkarakter van die cao. Hoezeer werknemers feitelijk door de inhoud van de standaard-cao in hun maandelijkse inkomen worden getroffen – onweersproken is dat tegemoetkoming voor het wegvallen van de helft van de werkgeversbijdrage – uitgaande van de situatie eind 2005 – op jaarbasis in de orde van grootte van een maandinkomen lag – weegt het standaardkarakter van de cao daarvoor te zwaar. Daarbij is in aanmerking genomen dat werknemers nog geruime tijd aanmerkelijk boven het standaardniveau een bijdrage van Bios hebben ontvangen, te weten gedurende de jaren 2006 t/m 2010 de gehele voormelde bijdrage en dat zij ingevolge de beslissing van de Commissie Hardheidsclausule gedurende 2011 nogmaals 100% daarvan en gedurende 2012 50% daarvan zullen ontvangen. Cao’s – en onweersproken ook de cao – hebben nu eenmaal niet alleen plussen maar van tijd tot tijd ook minnen en de lat van artikel 6:248 lid 2 BW ligt – ook wanneer het gaat om een standaard-cao – nu eenmaal hoog.