Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 26 februari 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:2343
Abvakabo FNV c.s./Staat der Nederlanden
De Wet verhoging AOW en Pensioenrichtleeftijd (Stb. 2012, 328) voorziet in een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd. Op 10 juni 2013 is de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (hierna: Overbruggingsregeling) gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2013, 15137). De Overbruggingsregeling is bedoeld voor mensen met een laag inkomen die zich onvoldoende hebben kunnen voorbereiden op de leeftijdsverhoging en kent een inkomens- en vermogenstoets. In de onderhavige procedure vorderen diverse vakbonden en de Stichting Belangen AOW-gat (hierna: de Stichting) voor recht te verklaren dat de Staat jegens hen en jegens bepaalde gedupeerden – die geconfronteerd worden met een AOW-gat – onrechtmatig handelt wegens strijd met artikel 1 EP en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP en artikel 26 IVBPR. Gesteld wordt dat niet in adequaat overgangsrecht is voorzien.
De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover de vakbonden en de Stichting als collectief de belangen van hun leden behartigen, staat de weg naar de burgerlijke rechter niet open. Alleen indien de belangen waarvoor een individu bescherming zoekt op een ontoegankelijke, riskante of omslachtige wijze aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd, is er mogelijk een taak voor de burgerlijke rechter weggelegd. Daarvan is geen sprake in het geval waarin de toegang tot de bestuursrechter afhankelijk is van het bestaan van een concrete aanspraak op een AOW-uitkering, ook niet indien die toegang in de toekomst ligt. Mede van belang is dat een concreet besluit over de toekenning van een AOW-uitkering en het in dat verband op te werpen beroep op strijdigheid van de Wet verhoging AOW-leeftijd met artikel 1 EP van het EVRM een individuele beoordeling vergen, wat deze laatste toets betreft in elk geval voor zover wordt toegekomen aan de vraag of sprake is van de zogeheten ‘individual and excessive burden’. Bij die beoordeling zijn juist de omstandigheden van het concrete geval van belang. Bovendien heeft de vordering betrekking op alle personen die met het AOW-gat worden geconfronteerd, dus ook personen die nu al de leeftijd van 65 hebben bereikt of dat binnenkort zullen doen. Voor deze laatste groep staat de rechtsgang naar de bestuursrechter op dit moment al open. Dit heeft inmiddels ook geresulteerd in een uitspraak van de Rechtbank Zeeland 14 februari 2013 (ECLI:NL:RBZWB:BZ1292), waarin een oordeel is gegeven over de gestelde strijdigheid van de Wet verhoging AOW-leeftijd met artikel 1 EP van het EVRM. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Het bestaan van deze procedures versterkt niet alleen het oordeel dat het onwenselijk is dat ook de burgerlijke rechter een oordeel geeft over de verbindendheid van de Wet verhoging AOW-leeftijd, maar levert ook de verwachting op dat de (hoogste) bestuursrechter binnen afzienbare termijn duidelijkheid zal verschaffen over de principiële vraag of sprake is van (ontneming van) eigendom en over de in verband daarmee te beantwoorden vraag of sprake is van op de oude regeling van de AOW gebaseerde legitieme verwachtingen.
Nu de vakverenigingen ook een eigen belang hebben gesteld dat door de Staat gemotiveerd is betwist, ligt het op hun weg het bestaan daarvan aannemelijk te maken. Daarin zijn zij niet geslaagd. Hun stelling dat de wet ingrijpt in bestaande cao’s en sociale plannen is onvoldoende geconcretiseerd. Ook het betoog van de vakverenigingen dat zij als gevolg van de Wet verhoging AOW-leeftijd opnieuw in onderhandeling moeten treden met werkgevers om de gevolgen van de wet zo veel mogelijk te repareren, slaagt niet. Het voeren van onderhandelingen ten behoeve van de leden vormt juist een van hun kernactiviteiten. In het licht hiervan is de stelling dat hun toekomstige onderhandelingspositie juist door de Wet verhoging AOW-leeftijd wordt aangetast te weinig concreet omschreven om daaruit het bestaan van een voldoende specifiek eigen belang af te leiden dat de toegang tot de burgerlijke rechter rechtvaardigt. De vakbonden en de Stichting worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.