Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Staat der Nederlanden
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 februari 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:2500

X/Staat der Nederlanden

Meldingsplicht stagiair bij Rechtbank Amsterdam strekt zich niet uit tot strafrechtelijke antecedenten van familieleden. Dat haar broer is opgenomen in de ‘Top-600’-lijst van Amsterdamse criminelen, is onvoldoende grond voor beëindiging stageovereenkomst.

X loopt in het kader van haar MBO-opleiding ‘Juridisch medewerker zakelijke dienstverlening’ stage bij de Rechtbank Amsterdam. Tussen partijen is een stageovereenkomst overeengekomen. Op 12 februari 2014 is X mondeling meegedeeld dat haar stage per direct werd beëindigd in verband met het feit dat zij had verzwegen dat haar broer is opgenomen in de ‘Top 600’-lijst met jeugdige Amsterdamse criminelen en dat op die dag bij de Rechtbank Amsterdam een strafzaak tegen hem zou dienen. Thans vordert X nakoming van de stageovereenkomst. Volgens X is haar tijdens de beëdiging meegedeeld dat zij melding diende te maken van bij de Rechtbank Amsterdam aanhangige zaken betreffende haar bekende personen. X stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het feit dat op 12 februari 2014 bij de Rechtbank Amsterdam een strafzaak tegen haar broer zou dienen en dat zij aldus feitelijk niet in staat was om de rechtbank hiervan te verwittigen. Volgens X is haar nimmer duidelijk gemaakt dat zij melding diende te maken van de antecedenten van haar familieleden. X betwist bovendien bij gebrek aan wetenschap het bestaan van een dergelijke verplichting.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. X hoefde de bewuste meldingsplicht niet anders te begrijpen dan dat uitsluitend melding diende te worden gemaakt van betrokkenheid bij lopende rechtszaken. De Staat beoogt met de meldingsplicht namelijk te voorkomen dat haar medewerkers ‘potentieel chantabel’ zijn en dientengevolge de onafhankelijkheid en integriteit van de rechtbank in het gedrang kunnen brengen. Een dergelijk risico speelt echter slechts in lopende rechtszaken waarbij een medewerker van de rechtbank is betrokken. Bovendien volgt uit het verloop van de beëdiging niet dat expliciet duidelijk is gemaakt dat de opgelegde meldingsplicht zich mede uitstrekte tot strafrechtelijke antecedenten. Dientengevolge behoefde X geen melding te maken van reeds afgeronde strafrechtelijke procedures waarin haar broer in het verleden bij de Rechtbank Amsterdam betrokken is geweest. Een notering in de ‘Top-600’-lijst is een uitvloeisel van in het verleden gepleegde en reeds berechte strafbare feiten. Tot slot heeft X onbetwist gesteld dat zij niet wist dat op 12 februari 2014 een strafzaak tegen haar broer zou dienen, zodat haar niet verweten kan worden dat zij de Rechtbank Amsterdam niet vooraf van betrokkenheid bij deze procedure op de hoogte heeft gesteld. De Staat wordt veroordeeld tot nakoming van de stageovereenkomst.